Tiemen Hiemstra: Groningen
Tiemen Hiemstra – winnaar Write Now! Groningen 2011
Tiemen Hiemstra is 20 jaar, en geboren en getogen in Groningen. Schrijven, of eigenlijk verhalen vertellen, is voor hem dé manier om orde te scheppen in de chaos van zijn hoofd. In 2010 won hij met een verhaal de landelijke finale van Kunstbende in de categorie Taal. En sindsdien durft hij ook stiekem een beetje te dromen. Zijn ultieme droom is om een verhaal te schrijven van zo’n schoonheid dat het de wereld van iedereen die het leest of hoort de volle 180 graden ondersteboven keert.
5 april 2012
Epic fail
Ik heb gefaald. Tot nu toe had ik alle deadlines gehaald, maar met deze laatste column ben ik dan toch te laat. Ik heb gefaald. Ok, het gebeurde al één keer eerder, maar toen lag ik in bed te kronkelen van de koorts, dat was overmacht, dat telde niet. Ik heb nu pas echt gefaald. Want hoewel ik ook deze keer een excuus op kan geven (de bergen huiswerk die school dagelijks aan mij opdringt) had ik best een nacht door kunnen werken. Dat heb ik niet gedaan, de wil was zwak, ik heb gefaald.
Bij wijze van straf had ik bedacht mezelf om de zin te confronteren met mijn falen. Maar dat houd ik niet vol. Ook in dat opzicht heb ik gefaald.
Wat is dat toch? Je wil met alle oprechtheid van de wereld een verhaal, gedicht of in dit geval column schrijven, je maakt er tijd voor vrij, je gaat er goed voor zitten en belandt dan uiteindelijk toch in het café met vrienden, zonder gedicht, zonder verhaal, zonder column. Is schrijven echt zo’n marteling?
Het vergt bij mij in ieder geval altijd een flinke dosis moed om te beginnen. Bang als ik ben om geconfronteerd te worden met dat ik het eigenlijk helemaal niet kan. Dat het hiervoor een paar keer per toeval goed is gegaan en dat ik nu, met deze woorden dan eindelijk door de mand zal vallen als het talentloze stuk pretentie dat ik ben.
Als dergelijk doemdenken zich voordoet moet ik mezelf er altijd even aan herinneren dat schrijven is bedoeld om anderen iets te vertellen, of je hart te luchten, en niet om iets aan jezelf te bewijzen. Ik leg een hand op mijn hart, sluit mijn ogen en scandeer: Vertel wat je te vertellen hebt. Falen zal je, slagen ook. Geef je over, Tiemen! Schrijf, nu!
15 maart 2012
Eenzame taal
Stel dat morgen iedereen behalve jij van de aardbodem is verdwenen. Zou je nog schrijven? Natuurlijk moet je eerst even naakt door de straten rennen en jezelf bij de banketbakker te goed doen. Maar daarna, zou je nog schrijven?
Strikt genomen is dat onmogelijk. Taal is ontstaan om te communiceren, om elkaar dingen duidelijk te maken, om te kunnen zeggen: ‘Pas op, mammoet!’. Spreken en schrijven komt dus altijd voort uit de noodzaak om een ander iets te vertellen of te vragen. Als de ander wegvalt, is taal in principe zinloos.
Maar wat dan te denken van het fenomeen dagboek. Elke avond schrijven ontelbaar veel mensen op deze wereld in schriftjes hun belevingen en gemoederen neer, zonder de bedoeling dat het ooit gelezen wordt. Een zin als ‘Pas op, mammoet!’ zou er, ook los van de extinctie van het dier, volledig misstaan. Je schrijft voor jezelf, en je kan jezelf nu eenmaal niets nieuws vertellen.
Bij het schrijven in een dagboek lijkt het eerder te gaan om een zeker van-je-af-schrijven. Je verhaal vertellen lucht op. En dat is blijkbaar zo’n prettige sensatie dat als er niemand is die je verhaal mag horen (als het bijvoorbeeld een fantasie over seks met een mammoet betreft) je een onbestaande persoon verzint om het aan te vertellen: lief dagboek.
Postapocalyptisch schrijven, het zal dus ongetwijfeld bestaan. Er is niemand om je hart bij te luchten, maar je wil het zo graag dat je iemand verzint: je allerliefste dagboek.
Maar literatuur? Zou er ook nog literatuur geschreven kunnen worden? Je hoeft niet langer je best te doen op mooie zinnen, niemand die ze zal waarderen. Je hoeft niet langer een verhaal te vertellen om een bepaald concept inzichtelijk te maken, je begrijpt het zelf toch al.
En toch vermoed ik dat er literatuur geschreven zal worden. Want wat als je bezwaard bent met een vaag, onbeschrijfbaar gevoel, iets dat je niet in een dagboekzin kunt vatten. Dan schrijf je, denk ik, een verhaal of een gedicht. Omdat enkel verhalen en gedichten het onbeschrijfbare voelbaar kunnen maken, omdat zo je hart alsnog is gelucht.
1 maart 2012
Leugens, leugens, alles, leugens
Hoe doe je dat in godsnaam: schrijven? Je vertelt dat Hans door zijn tuin loopt. En je beschrijft uitvoerig hoe het gras schittert in de zon, nog nat van het dauw. En dat de mussen er lustig op los kwetteren. Maar waarom? Wat doet Hans ertoe? Kan ons het schelen dat zijn gras glimt. Hans bestaat niet eens.
Soms voelt schrijven aan als het domweg opsommen van feitjes, en dan ook nog eens feitjes waar niemand wat aanheeft. Leugens. Het zijn dergelijke momenten dat ik ontaard in een staat van totale vervreemding. Ik zie ineens zwarte lijnen en kringeltjes in plaats van letters, ik voel mij een buitenaards wezen dat een boek in zijn handen gedrukt krijgt en zich afvraagt of hij er op mag kauwen.
Wat is het nu eigenlijk dat wij doen? (Excuseer als je geen schrijfaspiraties hebt, voel je vooral niet aangesproken, de wij-vorm is gewoon iets minder eenzaam.) We praten over personages uitwerken en werelden scheppen alsof we goden zijn, maar in werkelijkheid komen we niet verder dan inktkrabbeltjes op een vel papier. Waar zijn die personages, waar blijft die wereld? Een beeldhouwer stroopt zijn mouwen op, neemt de beitel ter hand en hakt uit een groot, ruw blok marmer de meest schitterende figuren. Hij heeft geschapen, hij is God. Wij zijn een gebrek aan God. Stervensmooie vergezichten doemen op in ons hoofd, ze verrukken ons en we willen ze werkelijk maken, maar ze schilderen kunnen we niet, ons rest enkel de beschrijving. Maar hoe gebrekkig is dat? Als alleen al het woord ‘boom’ duizenden invullingen kent, hoe kan je dan ooit de juiste woorden vinden voor de schoonheid van een compleet landschap.
Er is maar één manier om hier mee om te gaan, zelfhulpboekenwijsheid no. 1: er bestaan geen problemen, enkel uitdagingen. Dat een tekst niet onmiddellijk zo fysiek is als een schilderij of kathedraal maakt niet uit. Pak de handschoen op en vertel dat Hans door zijn tuin loopt. En dat hij oud brood verkruimelt, zoals zijn vrouw altijd deed. En dat hij dat doet omdat hij wil begrijpen, omdat ook hij een gebrek is aan God, omdat hij wil inzien waarom zijn vrouw elke ochtend, tot op haar laatste dag, toch verdomme die kutbeesten voerde, hier in het glimmende gras. En doe dat zo levendig, met zoveel verve, dat Hans even echt de mussen voert, dat je woorden waarheid worden. Dat je liegt en liegt tot je er zelf in gelooft.
21 februari 2012
De beperkte pokémon
Fantasie is niet oneindig, Pokémon is daarvoor het bewijs. Hoe uit de lucht gegrepen de wezens soms ook lijken stuk voor stuk zijn ze tot bestaande dieren terug te voeren. Een geel geverfde muis, een fikkende vogel. In de Japanse martelkamers van de fantasie worden beesten uit elkaar getrokken en weer vastgenaaid, geëlektrocuteerd en met lak bespoten, maar nooit vindt men compleet nieuwe dieren uit. Het is hetzelfde als met kleuren: probeer meer eens een nieuwe kleur te verzinnen. We kunnen enkel op tinten komen die we al hebben gezien. Fantasie is kneden met de klei die je hebt.
En wat je bij elkaar kneedt moet dan ook nog eens ergens op slaan. Het mag schots zijn, het mag scheef zijn, maar het moet zich altijd op een of andere manier tot de werkelijkheid verhouden. Hoe buitenaards Pokémon ook is, het vertelt ons iets over vriendschap en hoe om te gaan met de uitdagingen des levens (lees: gymgevechten). Geloof in jezelf, heb lief! Als pokémons een bende mutanten waren die elkaar doelloos vermassacreerden dan zou het (bij mij tenminste) enkel op de lachspieren werken. Ik zou geen tranen hoeven te onderdrukken als ik op youtube het moment terugkijk waarop Ash afscheid neemt van zijn butterfree – ik vrees dat Pokémon een niet te overschatten rol heeft gepeeld in mijn emotionele ontwikkeling.
De werkelijkheid perkt de fantasie in, maar kan gelukkig ook niet zonder haar. Of toch in ieder geval niet als je naar de mens kijkt. Er bestaat namelijk geen autobiografie zonder fictie. Een korte poging:
Ik peuter in mijn neus terwijl ergens anders op de wereld een grapsprietje beeft en Obama geen van beide ziet. 107.003 katten hebben honger.
Het speelt zich allemaal in mijn leven af, het is allemaal waar –ik heb ze zelf geteld- maar het heeft niets met elkaar van doen. Er mist een draad. Die draad zal je moeten verzinnen. Hier en daar een moment aandikken of wegmoffelen om hem roodgloeiend te houden.
Als je thema bijvoorbeeld de verhouding tussen fantasie en werkelijkheid is en je gebruikt Pokémon als doorlopend motief dan is het wel zo mooi om in je conclusie de twee samen te laten komen, hoe gezocht dat ook is:
Werkelijkheid en fantasie hebben zich angstvallig in elkaar vastgehaakt, als twee vechtende of parende pokémons.
1 februari 2012
Ik, o wondere ik
Iedereen die schrijft -eigenlijk iedereen die aan kunst doet, maar we zitten hier op writenow.nu, dus ik grijp mijn kans om me eens tot schrijven te beperken- lijdt aan een extreme vorm van narcisme. Dat zegt Freud.
(-Was die niet uit de mode?
-Nee, joh, hij is juist super retro.)
Schrijvers zijn bijzonder gefixeerd op hun eigen dromen, gedachten en fantasieën. Ze keren zich af van de buitenwereld en richten zich naar binnen. En waarom doen ze dat?
(-Vertel het ons meneer Freud, vertel, vertel!)
Omdat ze op zichzelf verliefd zijn. Omdat ze niemand ter wereld liever zouden neuken dan hun bloedeigen spiegelbeeld.
(- Mis ik iets? Is het feest der herkenning al begonnen?)
Vervolgens zetten ze hun zo gekoesterde dromen op papier om van buitenaf de bevestiging te krijgen dat zij inderdaad woest aantrekkelijk zijn; voor gemeenschap vatbaar.
(-Of ben ik soms niet uitgenodigd?)
Tot hiertoe liet Freuds theorie mij koud. Vooral omdat er jammerlijk weinig vonken overschieten als ik mezelf in de ogen kijk. Bovendien schrijf ik, althans dat meen ik toch, om te bezweren, en niet om te koketteren. Maar toen dook het woord hypochondrie op (‘als donderslag bij heldere hemel’ zou hier kunnen staan). Freud beweert dat een van de meest uitgesproken symptomen van narcisme hypochondrie is. Nu zou ik mezelf niet als pathologische hypochonder willen bestempelen, maar ik moet erkennen dat ik toch enkele malen zwetend wakker ben geworden in de overtuiging dat mijn hart stilstond. En eens de huisarts heb gevraagd -of noem je dat smeken, zo op je knieën?- of hij, hoe goedaardig ook, die moedervlek alsjeblieft kon wegsnijden, gewoon voor de zekerheid. De zekerheid dat Ik niet sterf. De garantie dat Mij al die oncologische en cardiologische narigheid bespaard blijft.
Ik viel dwars door de mand, recht op mijn narcistische gat.
En ik wil de rest van deze column dan ook gebruiken om te biechten. Als u waarde lezer, zo vriendelijk zou willen zijn in het hok plaats te nemen en het gordijntje open te schuiven. Ja precies, zo. Dank u wel. Dan vouw ik mijn handen tesaam en kunnen we beginnen.
Ik houd van mezelf. Ik houd van mezelf als van geen ander. Als ik iemand niet zou doodschieten dan was het mezelf. Ik ben mijn eigen en enige God. Ik besta en daar ben ik God eeuwig dankbaar voor. Erken mij, lezer, erken mij. En als u mij dan heeft erkend. Straf mij, lezer, straf mij.
19 januari 2012
De groene fee
Absint. Oscar Wild zag tulpen op zijn benen groeien toen hij het dronk. Hoewel tegenwoordig de hallucinante werking van het drankje sterk in twijfel wordt getrokken (experimenten met cavia’s leidden zelfs bij een extreem hoge dosis tot niets dan stuiptrekkingen), blijft het een opmerkelijk fenomeen. Kunstenaars aan het einde van de 19e eeuw in Parijs konden niet zonder. La feé verte zoals het drankje daar heette was ieders enige en echte muze. Betaalbaar, altijd voor handen en de ultieme gids naar een lucide staat van dronkenschap. Zowel schilders, als schrijvers sloegen de ene na de andere achterover om het genie in hen te doen ontsteken. Dan gingen ze voor hun canvas of notitieboekje zitten, haalden een keer diep adem en barstten uit in een wervelende stortvloed van verf en taal. De pen of penseel kwam niet van het oppervlak los. Woeste vegen, kolkende zinnen. Alles aan een stuk door. Zonder wikken, zonder wegen.
Ze zagen zichzelf als een medium. Het orakel van Delphi had haar zwaveldampen, zij hadden absint. Weliswaar minder exclusief, maar helderziend is helderziend. Hun doel: goddelijke kunst. Kunst door de kosmos ingegeven.
Of het werkte dat mag ieder voor zichzelf bepalen. Van Gogh was een vermaard absintgebruiker. Hemmingway heeft volgens geruchten zijn roman, For whom the bell tolls, onder invloed van het drankje geschreven. En de dichters Rimbaud en Verlaine (die tevens geliefden waren) zouden hun gehele oeuvre aan de hand van la feé verte hebben voltooid. (Een relatie die overigens eindigde in Verlaine die Rimbaud met een pistool door de pols schoot – blaim it on the absint?.)
Als ik geen woord op papier krijg, ben ik niet snel geneigd naar de absint te grijpen. Want of benen met tulpen nu alles zijn… En wie zegt mij dat de verlichte toestand van een profeet wezenlijk verschilt van die van een epileptisch knaagdier?
4 januari 2012
Geletterde apen
Aan iedereen die het al dan niet heimelijke verlangen koestert Schrijver met de grote s te worden (denk Saramago, denk Salinger). Aan iedereen die ondanks deze donkere tijden van barbarij er naar verlangt een onsterfelijk geschrift op te tekenen; het boek dat alle andere boeken overbodig maakt. Aan alle roekeloze bewaarders van het heilige woord heb ik slechts één advies. Apen. Een oneindig tal apen en evenveel typemachines. Staat u mij toe mezelf nader te verklaren.
In de vooronderstelling dat een aap achter een typemachine garant staat voor volstrekte willekeur en je alle apen zover kunt krijgen onophoudelijk toetsen in te drukken, is de kans oneindig groot dat na de periode die nodig is om een boek te voltooien alle mogelijk opeenvolgingen van tekens zijn volbracht. En daarmee alle mogelijke boeken zijn geschreven. Zoek de beste daar uit en het Boek der Boeken is een feit. Eindelijk zal er achter de zin die literatuur heet, die altijd maar voortkronkelende zin, die van de ene in de andere bijzin, de een nog doellozer dan de ander, maar dan ook echt als deze bijzin zo doelloos, verzandende zin, een punt komen te staan. De eenvoud zelve!
Toegegeven, tussen droom en daad staan wetten in de weg, en in dit geval ook enkele praktische bezwaren. Maar laat ons daar niet te zwaar aan tillen. Als bedrijfslocatie is de ruimte uitermate geschikt. Zij schijnt oneindig groot te zijn en ook nog eens uit te dijen. Genoeg bewegingsvrijheid dus om de arbeidsinspectie koest te houden.
Om problemen met de dierenbescherming, of stichting wakker dier, of erger nog het Animal Liberation Front (als zij het bestaan van dit project vernemen zijn uw kinderen hun leven niet zeker) te voorkomen raad ik aan om de apen in de dierenwinkel te kopen. Zelf vangen is naast illegaal vooral ook erg tijdrovend.
En mocht u, voor u tot actie overgaat, nog twijfels hebben omtrent de kwestie: waarom apen en geen mensen? Dat is enkel en alleen bij een chronisch gebrek aan legitieme vormen van mensenhandel.
