Tom Bouwmeester: Nijmegen

Tom Bouwmeester – winnaar Write Now! Nijmegen 2011
Tom Bouwmeester (1991) is schrijver en journalist in opleiding. Hij won prijzen bij Write Now! en Aan Het Woord!, publiceerde onder meer in Op Ruwe Planken en droeg voor op het Wintertuinfestival en bij de afsluiting van de Boekenweek. Op dit moment werkt hij aan zijn debuutroman; daarnaast verkent hij graag de grens tussen literatuur en journalistiek. Als het even kan luistert hij muziek: John Mayer, Leonard Cohen, Agnes Obel en Radiohead.

2 april 2012
Stoelendans

Daar stond mijn naam dan, in het programmaboekje van de afsluiting van de Boekenweek. Op 24 maart vond er een grote ‘vriendendienst’ plaats in de Grote Kerk in Deventer en ik mocht daar voordragen, samen met andere schrijvers van de Literaturjugend – de schrijfwerkplaats van Literair Productiehuis Wintertuin waar ik inmiddels twee jaar over de vloer kom. Bij binnenkomst van de gasten verzorgden we 1-op-1-voordrachten in gestileerde biechtstoelen, en na het hoofdprogramma mochten we op een van de podia ons succes beproeven met een literaire stoelendans.

De 1-op-1-voordrachten waren een ervaring op zich. Ik las een kort verhaal voor aan een volslagen onbekende die aan de andere kant van de biechtstoel zat (al was er weinig biechtstoel aan, het venster erin was gewoon open). Drie van de vijf mensen zeiden: “Wat een goed verhaal zeg! Wie heeft dat geschreven?” Toen ik zei dat het eigen werk betrof, keken ze me nog meer verrast aan. Eén man haalde meteen zijn vrouw erbij. “Zij moet dit ook echt horen!”

Na die vijf voordrachten dronk ik een halve fles water leeg – wat wil je, na zo’n twintig minuten onafgebroken aan het woord te zijn geweest. De line-up van het hoofdprogramma had niet veel beter gekund. Joost Zwagerman, Kees van Kooten, Nico Dijkshoorn, Tommy Wieringa, Tom Lanoye... Het was prachtig, maar in mijn achterhoofd was ik al bezig met mijn eigen optreden. Alles liep uit en toen het dan eindelijk bijna zover was, ging ik nog even snel naar buiten voor een teug frisse lucht. Ik nam me voor om er een knallende voordracht van te maken.

Zenuwen – ik was ze nog de baas, gezonde spanning heet dat ook wel, maar niet veel later werden ze volledig weggenomen. Op het podium waar wij zouden optreden was namelijk eerst Barbara Barend ingepland, die een praatje hield voor een organisatie waar ze iets voor had gedaan dat met boeken te maken had. Dat duurde en duurde maar... Daarna was er nog een jonge Groningse dichter aan de beurt – vast een aardige vent, maar het was een vrij bijzonder optreden.

En daarna, ja, daarna... Toen waren wij aan de beurt. Eindelijk. De Literaturjugend. Met een stoelendans op het nummer ‘Vriendschap is een illusie’. Als je afviel, moest je voordragen. Ik werd derde. Ik had inmiddels geen zenuwen meer. Te lang gewacht. Ik kon precies de nadruk leggen en pauzes inlassen waar ik me dat ’s middags had voorgenomen. Toen ik klaar was, sprong ik van het podium en voelde me blij en opgelucht. Toen ik die nacht thuiskwam, bakte ik een ei en dronk ik een Grolsch Kanon. Overwinningseten.


15 maart 2012
Het belang van boekenbonnen
Eén van de belangrijkste redenen om mee te doen aan Write Now! is de hoeveelheid boekenbonnen die je er in de wacht kunt slepen. Natuurlijk, in de eerste plaats schrijf je omdat je een verhaal op papier wil zetten – of, beter gezegd, omdat een verhaal op papier gezet wil worden. Al het andere komt op de tweede plaats. Maar dat wil niet zeggen dat wat op de tweede plaats komt, niet bijzonder fijn kan zijn. Die boekenbonnen bijvoorbeeld. Het vernuftige van boekenbonnen is dat je er zonder schuldgevoel boeken mee kan kopen.

Ik zit op dit moment enorm verlegen om boekenbonnen. Ik heb het geld nog wel om dat ene boek te kopen, maar ik koop de laatste tijd nogal veel boeken – al zal dat in vergelijking met sommige anderen ook wel meevallen. (Het is net als met online gamen: net als je denkt dat het niet slechter kan, kom je een kneus tegen die er nog minder van bakt. Gelukkig gaat het de laatste tijd aardig goed met mijn FIFA-carrière.) Hoe dan ook, ik zie een schuldgevoel opdoemen, en de enige manier om daar minder last van te hebben, is langer te wachten met de aanschaf. “Het is niet noodzakelijk. In de bibliotheek kan ik het ook lenen.” Helaas werken dat soort gedachten maar voor korte tijd.

Bij Write Now! heb ik in totaal 375 euro aan boekenbonnen gewonnen, reken ik net even uit. De eerste keer (2009) gaf ik het snel uit, de tweede keer (2011) probeerde ik het in delen te doen – maar aan het einde van de rit blijkt toch altijd dat je meer boeken wilt hebben, dan je kan betalen. Of waar je bonnen voor hebt. Laatst won ik voor het eerst een prijs van ‘echt geld’. Dat is tricky om een andere reden: ik besloot in eerste instantie om de helft van het geld aan boeken te besteden. Volgens mij heb ik uiteindelijk ruim driekwart van het geld besteed aan boeken en is mijn spaargeld er een beetje bij ingeschoten. Blijf dus altijd alert! En mocht je aan me denken als je in de prijzen bent gevallen, dan je mag een van de boekenbonnen altijd naar me opsturen.


1 maart 2012

Improvisatie
John Mayer stopte met twitteren omdat hij merkte dat hij in tweets ging denken. Dat was ook een van mijn eigen redenen om met Twitter te stoppen. Met Facebook vind ik het al erg genoeg. Ik doe iets leuks of ga ergens naartoe: zal ik het op Facebook zetten? En hoe? Ik probeer al een gevat onderschrift te bedenken voordat ik überhaupt een foto heb gemaakt. Afleiding is er altijd. JM deed ooit een digital cleanse: een week lang niet inloggen op sociale media. Op vakantie is dat makkelijk. Zo was ik afgelopen zomer in Zwitserland waar ik geen internet tot mijn beschikking had. Ik heb het niet gemist. Wel had ik, eenmaal thuisgekomen, wat meer meldingen op Facebook verwacht. Maar goed, je kan niet alles hebben – de dag ervoor beklom ik de Schilthorn en dat was ook wat waard (understatement).

Ik kan pas werkelijk geconcentreerd werken als het ’s avonds laat is en iedereen slaapt of op het punt staat om dat te doen. Dan heb ik niet eens zoveel tijd nodig om productief te zijn. En wat is productiviteit nu eigenlijk? Als ik overdag een goede sessie heb, schrijf ik binnen een uur 1500 woorden bij elkaar. Dat moet meestal nog wel herschreven worden, maar het laten stromen is geen probleem. Friedrich Schiller schreef ooit aan een jonge dichter die met een writer’s block kampte, dat hij al kritisch werd voordat hij het materiaal de kans gaf te spreken.

Die regel houd ik zelf dus ook aan. Ook nu: deze column komt al improviserend tot stand. Ik wilde dat mijn eerste column echt goed was en legde hem daarom aan drie proeflezers voor, voordat ik er gerust over was. Daarna ben ik gaan freewheelen. Misschien heb je het gemerkt: een associatie hier, een associatie daar... Ik heb besloten om mijn ideeën meer te laten stromen en mijn perfectionisme te laten varen. Anders zou ik bijna geen tijd meer overhouden voor mijn andere werk.

Misschien is dit trouwens niet eens zo geïmproviseerd als ik denk. Laatst overdacht ik hetzelfde al eens terwijl ik door de weilanden in het buitengebied van Apeldoorn fietste. Midden in mijn overpeinzingen kwam ik langs een boerderij, waar een bordje hing met de tekst: ‘ALLES KUMP GOED’. En zo is het dan ook wel weer.


15 februari 2012
Vier tips voor het schrijven van een winnend verhaal
(*Net als bij alle te-mooi-om-waar-te-zijn-reclames hoort hier ook een disclaimer bij. Ik zit natuurlijk niet in de jury. Maar ik ben ervan overtuigd dat je kansen een stuk(je) groter zijn als je deze tips ter harte neemt.)

1. Schrijf geen nieuw verhaal voor een wedstrijd. Stuur liever een verhaal (overal waar ‘verhaal’ staat mag je ook ‘serie gedichten’ en dergelijke lezen) in dat al af is of dat je nog af wilde maken. Zelf probeerde ik voor de afgelopen editie van WN! een nieuw verhaal te schrijven, maar ik ben achteraf gezien blij dat ik Nieuw fruit uit mijn archief heb gehaald. Dat verhaal is, voordat ik het inzond, overigens drie keer roemloos ten onder gegaan bij andere gelegenheden. Laat je daar dus niet altijd door afschrikken.
2. Wees origineel. Eruit springen is belangrijker dan een goed verhaal schrijven, schreef een Vlaamse collega-schrijver me ooit. Dat klinkt wat paradoxaal, maar het is wel waar. Er zijn verhalen die volledig volgens het boekje zijn geschreven en er zijn de uitzonderlijke verhalen waar de schrijver af en toe wat steken laat vallen. Dat laatste, dat is toch veel mooier? Het heeft zijn risico’s om niet mainstream te willen gaan, maar uiteindelijk betaalt het zich uit. Ga op zoek naar je eigen stem, geluid en stijl. Oftewel: schrijf de verhalen die je zelf zou willen lezen.
3. Zorg dat het een kop en een staart heeft. Een verhaal kan om uiteenlopende redenen als ‘goed’ en ‘winnend’ worden aangemerkt. Eén van de overeenkomsten daarbij is dat er een goede opbouw in het verhaal zit. Zorg dat je verhaal even pakkend begint als eindigt, creëer noodzaak, conflict, beweging. Karakters komen pas werkelijk uit de verf als je ze onder druk zet, schrijft Pim Wiersinga ergens in zijn boekje Schrijven: het begin (een bruikbaar boekje trouwens).
4. Bel je proeflezers op. Laat je tekst altijd door een ander lezen voordat je hem instuurt. Vrienden – of, als het even kan, bevriende schrijvers of redacteuren – kunnen je aan waardevolle kanttekeningen helpen. Vermijd in alle gevallen je ouders of andere naaste familieleden. Die houden eenvoudigweg teveel van je en vinden het altijd mooi en goed. Laat hen je verhaal pas na afloop van de prijsuitreiking lezen.


1 februari 2012
Schrijven is ademhalen
Uit het juryrapport van Write Now! Nijmegen 2011: “Heel beeldend, bij vlagen grappig ook en origineel. Er gebeurde niet veel maar wat er gebeurde was behoorlijk intrigerend.” Op die manier had ik zelf niet naar mijn verhaal gekeken. Sterker nog, ik had na het inzenden geprobeerd om er zo min mogelijk aan te denken, had mezelf bij de prijsuitreiking al bijna in slaap gesust en checkte mijn telefoon om te zien hoe lang het programma nog zou duren. En toen hoorde ik Maartje Wortel een omschrijving geven van een verhaal dat best weleens het mijne zou kunnen zijn. “De eerste plaats is voor... Tom Bouwmeester!”

Mijn hartslag verdubbelde meteen. Ik heb tot nu toe drie prijzen gewonnen bij schrijfwedstrijden en alle keren klopte mijn hart in mijn keel. De laatste keer kwam ik op het idee even een ademhalingsoefening te doen terwijl ik naar het podium liep. Vier tellen inademen, vier tellen uitademen... Zo min mogelijk verwachten kan je teleurstelling besparen, maar maakt de schok des te groter als je wint. Toch werkt die bescheidenheid op de een of andere manier. Zo won ik bij de Zwolse voorronde van WN! 2009 de tweede prijs en ging ik er het jaar daarop heen om eventjes die eerste prijs in ontvangst te nemen. Je ziet het al aankomen: dat ging volledig de mist in.

Het tegenovergestelde gebeurde in Nijmegen, en ook december vorig jaar in Apeldoorn, toen ik naar de prijsuitreiking van Aan het woord! ging. (Ook al zo’n schrijfwedstrijd waarvan de naam op een uitroepteken eindigt. Wat is dat toch?) Ik vertrok thuis, en zei tegen mijn ouders: “Het zal wel niets worden, ik zie jullie straks weer.” Mijn moeder verklaarde echter dat ze er ‘een goed gevoel’ bij had. Ze was überhaupt al blij dat ik ging, want ik was het in eerste instantie helemaal niet van plan geweest. Zit je daar een middag naar een hele voorstelling te kijken terwijl je alleen maar wil weten wie er gewonnen heeft...

Uiteindelijk won ik dus zelf, of, met andere woorden: de intuïtie van mijn moeder bleek te kloppen. Had ik dan toch vol zelfvertrouwen naar de uitreiking kunnen gaan? Ik weet het niet. Ik denk dat iedereen zijn eigen strategie moet bedenken, zolang je jezelf maar lucht geeft. De spanning van het wachten moet geen strop om je hals worden. Schrijven is ademhalen, in en uit, afwisselend vastgrijpen en loslaten zoals een goed verhaal dat met je doet. Succes met het schrijven van je inzending. (Mocht je behoefte hebben aan een paar kleine tips, lees dan over twee weken mijn volgende column.)


19 januari 2012
Inlevingsvermogen
Toen ik vijftien was schreef ik een historische jeugdroman die ik vol enthousiasme opstuurde naar uitgeverij Lemniscaat. Dat was toen mijn droom: de nieuwe Thea Beckman worden. Het schrijven heeft bij mij tot nu toe in drie episodes plaatsgevonden: rond mijn dertiende schreef ik gedichten, rond mijn vijftiende waren het jeugdboeken en sinds mijn zeventiende streef ik the real thing na. Daar tussenin flarden waarover ik in mijn vorige column al wat geschreven heb. Hoe dan ook: de redactrice van Lemniscaat reageerde verrast, de roman was goed opgebouwd en geschreven, maar ze miste alleen een zeker inlevingsvermogen.

Inlevingsvermogen. Het heeft me een paar jaar achtervolgd, zelfs nadat ik voor het eerst een prijs won en werd gepubliceerd in een tijdschrift. Inlevingsvermogen. Ik werd pas werkelijk gerustgesteld toen ik een maand geleden een prijs won en de jury in haar rapport schreef ‘verrast te zijn door het inlevingsvermogen van de schrijver, de leeftijd in acht genomen’. Ik zag ooit een man op televisie die zei: ‘Ik werd wakker en er zaten drie demonen naast mijn bed.’ Nu heb ik mijn demonen nooit geteld, maar sinds vorige maand heb ik er in ieder geval één minder. (Misschien had ik vijf jaar geleden trouwens evenveel inlevingsvermogen, of nu nog steeds even weinig: schrijven blijft tenslotte een jurysport, net als judo.)

Toch was die vertwijfeling ergens goed voor. Ik heb namelijk geprobeerd te analyseren wanneer je met inlevingsvermogen schrijft. Mijn hoofdvraag was: moet je daarvoor koortsachtig in je verhaal zitten, of kan het ook als je vrij kalm schrijft? Mijn antwoord daarop was uiteindelijk: het kan allebei. Ik heb verhalen geschreven in een koortsachtige flow en ook met meer rust, meer afstand. Met beide werkwijzen – al lijkt het verhaal die te kiezen, zelf heb ik er weinig invloed op – heb ik nu evenveel succes geboekt. Wel vind ik de koortsvariant door de intensiteit ervan geruststellender, maar dat is een persoonlijke voorkeur.

Nu ben ik twintig en schrijf ik weer een roman, na twee of drie mislukte pogingen in de tussentijd. Ook nu, met afwisselend koortsachtige en meer stoïcijnse schrijfsessies, vraag ik me af hoe ik het verhaal verder tot leven kan laten brengen. Laatst besefte ik: een verhaalwereld is onvoldoende en het plaatsen van personages in die wereld evenmin. Maar zodra mijn personages tot leven komen, eigen stemmen krijgen en ik bij dialogen eigenlijk geen namen meer hoeft te vermelden, dan is het gelukt. Ik moet de dialoog aangaan met de personages in mijn roman. Daarmee ben ik nu ergens halverwege, maar ten opzichte van de band met mijn personages vijf jaar geleden ben ik een paar landsgrenzen verderop.


4 januari 2012
Luchtverkeersleider
'Schrijf je je hele leven al?' Dat is de vraag me die me het meest wordt gesteld als iemand er lucht van heeft gekregen dat ik verhalen schrijf. Mijn antwoord komt meestal op hetzelfde neer: ja, op de basisschool schreef ik verhaaltjes en rond mijn dertiende tientallen gedichten, maar de stapel tekeningen en waterverfschilderijen van mijn hand is ongeveer even groot. Daarnaast heb ik ook ooit bij Ajax willen voetballen en lange tijd – ik heb er een paar jaar geleden zelfs nog over getwijfeld – gedroomd van een baan bij de luchtmacht. (Niet zozeer van een F16, eerder van een functie als luchtverkeersleider: dat kan nog net als je min drie sterkte in je bril hebt.)

Terwijl we zoeken naar wat bij ons past, proberen we van alles uit. De ene keer lukt iets en de andere keer loopt het grandioos in de soep: dat hoort er nu eenmaal bij. Maar ik geloof dat we, zodra we gevonden hebben waar we het beste in tot uiting komen – following our bliss, zoals mijn held Joseph Campbell het zei – de dingen vanzelf naar ons toe komen. Dat betekent trouwens niet dat ik, toen ik ontdekt had dat schrijven ‘het’ voor mij was, kon blijven zitten en wachten op succes. Doorzetten en hard werken zijn voorwaarden om iets te bereiken. Maar stel dat ik schilderambities zou hebben gehad, dan had ik er evenveel tijd en energie in kunnen steken om na twee jaar niet in de prijzen te vallen bij een Art Now!-voorronde.

Heb ik dan tijd vergooid, door tien jaar lang voetballer, schilder, dichter en luchtverkeersleider te willen worden? Hadden er nu niet al drie romans van mijn hand in de boekhandel kunnen liggen als ik veel eerder was begonnen? Zelf denk ik van niet. Om er nog een spreekwoord bij te halen: If you meet the Buddha on the road, kill him. Vrij vertaald betekent dat: je hebt niets aan inzichten die je halverwege je tocht worden ingefluisterd.
Als iemand me tien jaar geleden had verteld dat schrijven het voor mij helemaal was, dan was ik evengoed nog gaan schilderen en dromen over de luchtmacht. Via die weg moest ik het blijkbaar zelf ontdekken.

Misschien kom ik er over vijf jaar achter dat het met schrijven bij nader inzien helemaal niets wordt en ga ik toch nog op voor luchtverkeersleider. En dat, terwijl ik met een bak sterke koffie voor me stipjes op een radarscherm volg, ik dan op een belangstellende vraag antwoord: 'Nee, ik wilde vroeger altijd schrijver worden.'