Yi Fong Au: Maastricht

Yi Fong Au – winnaar Write Now! Maastricht 2005, 3e prijs Nijmegen 2006
Yi Fong Au (Eindhoven, 1989) publiceerde eerder in het literair e-zine Meander en het Vlaamse literaire tijdschrift Het Liegend Konijn. Verder werd hij samen met andere Limburgse dichters opgenomen in de poëziebloemlezing Alles staat nog op zijn plaats en het literaire project No Smoking Machine, waar een kleine selectie van zijn poëzie is uitgegeven onder de naam 'Proefdrukken'. Zijn dichterschap ziet Yi Fong Au als een work-in-progress en hij is altijd op zoek naar een betere manier om zijn poëzie vorm te geven.

28 maart 2012
Wanneer de zomerdagen weer komen, zal ik op mijn balkon gaan zitten met een glas wijn en een goed boek, naast mij een notebloc en pen, een sigaret aansteken en wachten op het moment dat ik in staat ben een gedicht te schrijven. Niet zomaar een gedicht, maar een gedicht dat begint met de volgende regel: “Laten wij dan nu samen een gracht dempen.” Ik bedacht de regel een aantal jaren terug. Het was zomer en ik was verliefd en de bomen leken voortdurend te bewegen in het ritme van een trage, melancholieke wals, of misschien was het winter en smolt de lucht in mijn adem. Hoe het ook zij, in zulk een toestand van zoetsappigheid had ik die regel bedacht en het gedicht zou ook eenzelfde sfeer uitdragen. Gelukkig slaagde ik daar niet in. Het sentiment erachter verdween en ik legde de regel opzij, voor later.

Als ik de regel voor me neem, besef ik me hoe verdomd moeilijk schrijven eigenlijk is. Elke keer dat ik een poging waag iets te schrijven, neemt een gevoel van beklemming zich van mij meester. Een schrijver is gedwongen constant aan zichzelf te twijfelen, een beginnend schrijver des te meer. We beschikken over een idee van hoe een goed gedicht of goed verhaal eruit hoort te zien, maar hebben nog niet de vaardigheden ontwikkeld om die visie te realiseren. Als de euforie, die we steevast voelen na het schrijven van een nieuw werk, uitgewerkt is, moeten we constateren dat wat daadwerkelijk op papier staat, nog ontoereikend is. We sleutelen er nog wat aan. Schrijven is een constante work-in-progress.

Dit ideaal dat we voor ogen hebben, kan ons demotiveren, tot wanhoop drijven, (ik overdrijf hier natuurlijk, zo moeilijk is het ook weer niet,) maar vaak blijven we hangen in denken over wat er beter kan en veronachtzamen we het plezier dat louter bezig zijn met taal ons kan brengen. In Japan hebben ze een bijzondere filosofie hierover: perfectie / imperfectie is geen 'duaal concept', dat wil zeggen, imperfectie is niet een soort toestand die als het ware half onderweg is naar een toestand van perfectie, maar iets dat er geheel los van staat, zijn eigen esthetiek heeft. Dit idee komt terug in vele aspecten van Japanse cultuur, we kennen de elegante handelingen van de traditionele thee-ceremonie, de schijnbare eenvoud van Ikebana, Japanse bloemsierkunst. Zelfs in het maken van sushi schuilt een bepaalde schoonheid wanneer het vak beoefent wordt door mensen die deze filosofie naleven. De meesters in deze kunsten zijn ware meesters, ze besteden vaak een heel mensenleven aan het perfectioneren van hun vak. Maar het proces van streven naar perfectie is minstens net zo belangrijk als het perfecte zelf. Er zit een schoonheid in, een betekenis. De Weg kan een doel op zich zijn, als ik het goed begrijp. Schrijvers streven constant naar een betere tekst, maar dat is niet waar het uiteindelijk om draait.
Ik heb de regel weer voor me genomen en probeer iets van die filosofie in mijn achterhoofd te houden. De zon schijnt, de deur staat open en het geluid van de ondergaande zon heeft iets weg van, dit durf ik bijna niet te zeggen, inspiratie. Het is tijd om wat te schrijven.

laten wij dan nu samen een gracht dempen
ik wacht nog met natte aarde
tussen mijn tenen
een brok zout aan mijn wimpers

het water kleurt oranje
de kleur van leem
in de woestijn van dorst
en er is vrede in het besef dat
wij alleen zullen zijn

als de regen komt leg
jij er dan een zeil over
dan varen wij naar de oever
in bootjes die ons gewicht
kunnen dragen als mieren
kunnen dragen kleine
zwarte haren dan
laten wij nu samen dan


19 maart 2012
Poëzie is muziek. Maar toen ik pas begon met schrijven, wist ik dat niet. Ik begon geloof ik rond mijn eerste middelbare schooljaar met gedichtjes schrijven. Ik las veel, vooral kinderboeken, zoals Torenhoog en mijlenbreed en Ogen van Tijgers van Tonke Dragt. Als ik het mij goed herinner spelen deze verhalen zich af in een verre toekomst, waarin onderzoekers op expeditie gaan in het vijandige, doch prachtige landschap van Venus. De boeken spraken enorm tot mijn verbeelding. Ik moet ze wel vijf keer herlezen hebben en iedere keer waande ik mij, net als de hoofdpersoon, verloren in de bizarre, mysterieuze werelden die zij beschreef. Het was een wereld waarin geen grenzen leken te bestaan, vurige kleuren die in elkaar overliepen, silhouetten die geen silhouetten waren, maar slechts de suggestie wekten van een ruimte. Ik weet niet of de schrijfster het ook zo bedoeld had, maar zo heb ik mij die wereld altijd voorgesteld, altijd omgeven met een bepaalde vaagheid, maar daardoor niet minder krachtig. De taal had een onmiskenbaar beeldende kracht.
Toen ik op de middelbare school een periode lessen had gekregen in het schrijven van poëzie, was het precies dát aspect van de taal die mij het meeste aantrok. De metafoor. En hier kwam ook een andere dimensie van de taal om de hoek kijken, ik ontdekte de mogelijkheid iets te zeggen wat niet letterlijk bedoeld diende te worden. Ik kon liegen en tegelijkertijd iets zeggen wat waar was. Ik kon mensen laten nadenken. Woorden waren ineens méér dan enkel woorden: elke zin was een puzzel, elk woord had zijn eigen kleur, een eigen gevoel, en elke combinatie van twee woorden schepte een geheel nieuwe puzzel, een geheel nieuw beeld. Wat een ontdekking! Wat een prachtige ontdekking was dat. De mogelijkheden waren eindeloos.
Mijn eerste gedichten waren niet zeer geslaagd. Op diverse internetfora had ik ze gepubliceerd, maar ik had ze weer snel eraf gehaald. Uit angst dat mensen ze later terug zouden lezen. Ze waren belachelijk slecht. Ik las nog altijd veel, poëzie ook, Lucebert, Remco Campert, Jotie 'T Hooft, maar het waren altijd een of twee gedichten bij elke dichter waar ik naar terugkeerde. Dat waren meestal de gedichten die de meest krachtige beelden hadden, en elke keer herlas ik ze met nieuwe verwondering en ontzag. In deze periode las ik nooit mijn eigen poëzie hardop voor. Het was een strikt schriftelijke bezigheid voor mij. Woorden hadden geen kadans, geen klank, maar rijmden omdat ik wist wat alliteratie betekende, welke rijmschema's mogelijk waren, wat assonantie was. Maar ik had geen praktisch besef van de taal. Ik had geen idee hoe een dichtregel klonk als je hem voorlas, hoe een ruimte vorm gaf aan het geluid. Welke kracht er werkelijk van een woord uitging.
Poëzie is muziek. En dat ontdekte ik toen ik rond mijn vijftiende jaar voor het eerst een gedicht van mij moest voordragen voor een publiek, en daarnaast ook andere kinderen hún gedichten hoorde voordragen. Naarmate ik beter leerde luisteren, werd steeds beter merkbaar waarom het zo belangrijk is om ze voor te dragen. Door mijn gedichten hardop voor te lezen, beleefde ik ze niet alleen op een andere, veel directere manier, maar had ik ook een middel om ze te beoordelen. Je hoort onmiddelijk wat er mankeert aan een gedicht. Een gedicht louter lezen is een beetje als met je ogen dicht naar een schilderij kijken.


5 maart 2012
Ik ben een zeer chaotisch mens. Wanneer ik mijn notitieboekje opensla, op een willekeurige bladzijde, lees ik iets als het volgende: “wat is je mening over de dood / de dood is een brons schip / een magere vrouw / een tramstation / gevuld met een kudde romeinen.” Een vraag, een antwoord, bestaande uit een opsomming van beelden. Het zijn woorden die vervreemden en de geur van poëzie hebben, of in elk geval de schijn ervan opwekken. Een mooi begin van een gedicht, zou je kunnen denken. Alleen heb ik geen enkel idee wat het zou kunnen betekenen. Ik kan me zelfs niet herinneren het ooit te hebben geschreven. Maar ik herken mijn eigen handschrift. Ook staat er een datum boven, 30 oktober 2011. Met enige zekerheid kan ik dus zeggen dat ik het ben geweest die deze woorden, op die bewuste datum, heb neergeschreven. Maar wat ik ermee van plan was, weet ik niet. Een aantal bladzijdes verder staat: “Ik leef op de rand van een koekjesdoos.” En verder niets, geen datum, geen uitleg, geen plan.
Ik zou het opgeschreven kunnen hebben tijdens een treinreis, in een stil moment tijdens een gesprek, in een dronken bui achter mijn laptop. Het kan iets zijn geweest dat me spontaan is binnengevallen, maar het zou net zo goed het product kunnen zijn geweest van taalspel: op bepaalde momenten in de week, als ik me geïnspireerd voel, maar verder niet de motivatie heb om écht iets te schrijven, zet ik mijn brein op non-actief en laat ik mijn vingers het werk doen. In een korte periode produceer ik dan zoveel mogelijke, willekeurige combinaties van woorden als ik maar kan verzinnen. Op die manier heb ik een verzameling van “ideeën” aangelegd, materiaal, rauwe vondsten, waar ik later uit kan putten bij het schrijven van een gedicht.
Slechts zeer zelden schrijf ik iets neer in mijn notitieboekje dat ik later daadwerkelijk zal gebruiken in een gedicht. De meeste vondsten zijn namelijk helemaal geen vondsten, maar gewoon onzin. En bij de rest is het nog maar de vraag of ik er ooit een passend gedicht bij zal vinden. Daar ligt de grootste uitdaging voor mij. Want iedereen kan woorden met elkaar combineren, metaforen maken, maar veel moeilijker is het de woorden een context te geven, betekenis. Het schrijven van een gedicht gelijkt voor mij in veel opzichten op beeldhouwen, alleen heb ik van te voren geen enkel idee hoe het beeld eruit gaat te zien, of het een persoon is, of een dier, een levenloos object of een abstract idee, hoe groot of hoe klein het moet zijn. Het enige waar ik van kan uitgaan is een schets van een piepklein onderdeel ervan, een teen, een krul haar, een willekeurig detail uit een Griekse façade.
Het enige wat ik kan doen is gewoon beginnen met een klein stukje steen weg te halen, niet te veel, niet te weinig, maar net genoeg om een vorm te vinden, een structuur. Dus laat ik maar gewoon een poging wagen:

wat is je mening over de dood
is de dood een brons schip
een magere vrouw
of een tramstation
gevuld met een kudde
romeinen

een boek over arme mensen
over het zwart onder hun nagels
een donsveren kussen
de kus van een geleedpotige

je kan ademhalen of spelen
met je ademhaling
maar je kan niet doodgaan
je kan niet slapen


22 februari 2012
Het is laat, mijn sigaretten zijn op en de buren zijn al, zo schat ik, een uur of twee aan het slapen. Ik staar naar het lege scherm van mijn computer. Ik probeer me een idee voor de geest te halen. Iets over de relatie tussen schrijven en obsessief-compulsief gedrag. Het viel me te binnen toen ik een paar weken terug onder de douche stond. Het is een idee waarvan ik denk dat het de moeite wel zal lonen om het uit te werken. Dus ik begin met typen: letters verschijnen op het scherm, woorden, zinnen. Langzaamaan verschijnen de contouren van een tekst op het scherm, maar voordat de tekst daadwerkelijk een eenheid wordt, heb ik al besloten dat het onzin is. Ik verwijder alles en begin opnieuw. Misschien moet ik een andere openingszin proberen: ik staar naar het lege scherm van mijn computer en voel een existentiële twijfel. Of: ik staar naar de blauwe wand achter mijn computer en ik bedenk me dat de oneffenheden, veroorzaakt door slordig aangebrachte verf en kleine kuiltjes in de plamuur, best wel interessant zijn. Maar die wanhoop is wellicht te dramatisch, en dat van de blauwe verf en plamuur slaat eigenlijk nergens op, net als het 'existentiële', dus ik begin opnieuw.
Dit proces herhaalt zich ongeveer tien of twintig keer, dan staar ik opnieuw naar het scherm van mijn computer, waar inmiddels een begin van een column staat, en bedenk ik me dat een column schrijven over niet kúnnen schrijven best wel cliché is. Het is een wanhoopsdaad, een allerlaatste redmiddel, gebaseerd op een extreme naleving van het adagium: write what you know. In dit ogenblik weet ik ook alleen hoe het voelt om werkelijk geen enkel idee te hebben waar ik een column over wil schrijven. Maar ik blijf doorschrijven in de hoop dat me dan een goed idee te binnenschiet. Of dat er uit de ruïnes van eerdere pogingen een mooie zinsnede of zelfs een hele alinea geborgen kan worden. Dat is in feite zeer gemakkelijk. Het enige wat ik hoef te doen, is niet stoppen, maar gewoon doorgaan met schrijven en schrappen. Uiteindelijk ontstaat er wel iets wat ermee doorkan. Veel moeilijker is het om te beginnen met schrijven, dat is een daad die getuigt van een enorme wilskracht. Je gaat zitten met het besef dat je waarschijnlijk nog wel uren bezig bent. Als je echter eenmaal bezig bent, kun je bijna niet ophouden. Maar zoals ik al zei: dit is cliché. Dit weten jullie allemaal al. Het ligt voor de hand. Ik begin opnieuw.
Het is al laat, mijn sigaretten zijn op en de buren slapen. Inmiddels begin ikzelf ook moe te worden. Mijn nek doet pijn en de zon komt over een paar uur alweer op. Maar ik heb een idee voor een column. En ook al een openingszin, hij gaat als volgt: 'Het is al laat, mijn sigaretten zijn op en de buren...'
 

1 februari 2012
Op 12 september 2008 pleegde David Foster Wallace, de schrijver van Infinite Jest, zelfmoord. Hij had een touw om zijn nek geknoopt en zichzelf verankerd in de tijd. Ik stond niet stil bij zijn dood. Zijn naam was mij bekend, maar ik had nog nooit een werk van hem gelezen. Het was vooral de romantiek ervan die mij tot de verbeelding sprak. Het zou geen ramp zijn, als ik zelf zo zou eindigen, dacht ik bij mezelf. Maar wat wist ik nou van dood en lijden? Bij het lezen van de afscheidsbrief van een andere ongelukkige schrijver, Virginia Woolf, las ik enkel een enorme, hartverscheurende schoonheid. Er schuilde liefde in haar woorden, liefde die ik zelf ooit ook hoop te voelen, maar het leed dat ze moet hebben gevoeld kwam bij mij nauwelijks aan.
Nu ik een paar jaar ouder ben, voel ik vooral de behoefte om mijzelf dat lot te besparen. Ik heb de afgelopen tijd veel gezocht, vermoedelijk naar iets waar veel mensen naar op zoek zijn: een manier van omgaan met het leven dat hopelijk resulteert in een gelukkig einde. De Oostenrijkse psychotherapeut Viktor Frankl heeft het over 'betekenisgeving', een term die misschien vaag en onwetenschappelijk klinkt, maar daardoor niet onbelangrijk. Deze man overleefde Auschwitz en kwam daaruit met het besef dat zelfs onder de meest afgrijselijke, onmenselijk omstandigheden het leven betekenis kan hebben, dat, als het zover komt, zelfs lijden betekenis heeft. Hoe hij tot deze conclusie is gekomen, en hoe hij zelf de Holocaust heeft ervaren, beschrijft hij in zijn boek De zin van het bestaan, een van de meest indrukwekkendste boeken die ik ooit heb gelezen. Ik zie zijn observaties, hoe gek het ook mag klinken, overal terug in het dagelijkse leven. Ik zie het in de gezichten van mensen op straat, bij familie en vrienden, bij mezelf. Niet dat wij ons ook maar een fractie van een voorstelling kunnen maken van wat hij heeft doorgemaakt, maar waarschijnlijk heeft zich toen, onder die omstandigheden, in dat vage vuur, iets universeel menselijks kenbaar gemaakt.
Bij grote schrijvers moet die betekenisgeving in hun werk terug te vinden zijn. Voor David Foster Wallace was Infinite Jest, hoewel er voor vele mensen een grote hilariteit uit sprak, een heel droevig boek. In interviews met hem zien we een man die het liefst zijn geestelijke kwalen ontwijkt, buiten beschouwing laat. Maar uit zijn manier van spreken, in de intelligentie en eruditie die daarvan uitgaat, blijkt een kwetsbaarheid die hij nauwelijks kan verbergen. De romantiek van zijn dood, een schrijversdood, zou je bijna willen zeggen, is uiteindelijk niets meer dan dat, romantiek. Ik hoop zijn boeken te lezen en iets te ontdekken over de nog levende schrijver, iemand die door de hel is gegaan en daaruit terugkeerde om ons te vertellen hoe dat was.


23 januari 2012
Ik was nog jong, vijftien pas, en op een gegeven moment hoorde ik dat ik één van de mogelijke winnaars kon zijn van een regionale voorronde van Write Now!. Ik moet hebben gedacht dat mijn gedichten best aardig waren, anders had ik ze nooit ingestuurd. Het waren allemaal enorm gevoelige, naïve gedichten over liefde en verdriet en daardoor dachten ze zelfs dat ik een meisje was, herinner ik mij. Totdat ze mijn stem aan de telefoon hoorden. De jonge stagiaire van Write Now! maakte bekend dat het inderdaad wel handig zou zijn als ik bij de uitreiking aanwezig kon zijn, en toen ik de hoorn neergelegd had beleefde ik voor een klein ogenblik een gevoel van geluk, een vlaag van opwinding. En vervolgens ging ik verder met tv kijken.
Ik heb het later nog teruggelezen, die gedichten, en stelde toen vast dat het eigenlijk afgrijselijk is. Ik kreeg er hetzelfde gevoel bij als wanneer iemand een gênant verhaal over mij vertelt. Sindsdien heb ik het niet meer durven lezen. Ik heb het verwijderd van mijn computer. Tegenwoordig schrijf ik afstandelijker, denk ik. De inhoud verberg ik achter een vorm die eerst vervreemd en daarna stemt tot diep nadenken. De lezer mag uiteindelijk zelf invullen waar het over gaat. Wat het voor mij betekent, weet niemand, dat is een groot mysterie. Maar dat is denk ik ook maar een illusie.
De zaal waarin de winnaar bekend gemaakt zou worden, was donker. Het publiek was een waas van verwachtingsvolle gezichten, de lichten filmisch gedempt, en ik stond daar op het podium met een stapeltje gevouwen A-4tjes in mijn handen. Of ik iets wilde voorlezen, vroegen ze. Ja, dat wilde ik wel. Ik was zenuwachtig, dat zeker, en las in één keer alle gedichten voor waarmee ik had gewonnen die avond. Dat ogenblik leek zeer lang te duren, de woorden verlieten behoedzaam mijn mond en zo nu en dan liet ik een pauze vallen, die hopelijk enige vorm van schoonheid aanbracht in mijn voordracht. Toen ineens de gedichten allemaal op waren, keek ik op van mijn papier en ontsteeg er een groot applaus uit het publiek. Ik weet nog goed dat er zelfs één kerel was die joelde. Dus ik ben een winnaar, bedacht ik me. Ik veegde het zweet van mijn voorhoofd en ging enige tijd later op weg naar huis.
Nu ik er zo op terugkijk, heb ik eigenlijk wel zin om die gedichten weer eens terug te lezen. Maar ze zijn nergens meer te vinden. Dat is toch wel jammer, want ik denk dat een frisse blik erop me zou inspireren, misschien dat ik hier en daar nog een mooie vondst kan recyclen. Daarnaast is het nostalgie. Het was namelijk wél mooi de avond dat ik eventjes Write Now! Maastricht won. De wereld lag nog net niet aan mijn voeten.


4 januari 2012
Enige tijd geleden heb ik besloten om schrijver te worden. Niet dat ik weinig schreef, of schrijven slechts als een soort hobby zag, maar ergens in mijn achterhoofd schuilde altijd de gedachte dat het allemaal uiteindelijk wel mee zou vallen met dat schrijven van mij, dat het uiteindelijk af zou hangen van toeval, een speling van het lot als het ware, wat ervoor zou zorgen dat ik inderdaad een schrijver zou zijn, of niet: een herinnering van mijn jonge jaren is het dan, een nostalgische bezigheid op mijn oude dag, een non sequitor. En als ik geluk had iets meer dan dat.
Ik herinner me nog goed dat mensen, die over me gelezen hadden in de plaatselijke krant, me geïnteresseerd vroegen: “Ben jij niet de jongen die poëzie schrijft, die dichter waar ik zoveel over gelezen heb?” Waarop ik dan vriendelijk antwoordde dat het inderdaad zo was, ik was die dichter, ik had inderdaad een wedstrijdje gewonnen met een paar mooie gedichten, en dat het allemaal wel echt heel leuk was. Maar die woorden sprak ik altijd met een soort voorzichtigheid uit, ik wist eigenlijk niet zo goed wat ik daarop moest zeggen: écht trots was ik niet, ik voelde me geen schrijver en durfde er niet volledig voor uit te komen. Waar dat aan lag kan ik niet onder woorden vatten, maar ik denk dat ik redeneerde vanuit verkeerde aannames over het schrijverschap, en belangrijker nog, verkeerde aannames over mijzelf en hoe ik mij verhoudde tot de wereld.
In feite was een schrijver voor mij een soort romantisch genie, een persoon die woorden op papier zet die als het goed is over honderd jaar nog gelezen wordt: figuren als Reve, Wolkers, Lucebert en ga zo maar door. Maar wat een grap is dat eigenlijk, dacht ik. Hoe kun je jezelf nou vergelijken met die mensen? Niemand kan schrijven als die mensen, ikzelf nog het minst. In de loop der jaren heb ik dat als volgt geïnternaliseerd: het enige wat ik kan doen, is doen wat ik kan doen. Mijn best doen, meer niet. Die wijsheid heb ik overigens te danken aan Reve, Tien vrolijke verhalen.
Stephen Fry begint in zijn autobiografie, The Fry Chronicles, met een vergelijkbare notie over het schrijverschap: 'I really must stop saying sorry; it doesn't make things any better or worse. [..] All the true artists I know are uninterested in the opinion of the world and wholly unconcerend with self-explanation. Self-revelation, yes, and often, but never self-explanation.' Dat is het idee althans, maar zoals Fry zelf ook aangeeft, het is enorm moeilijk om het in de praktijk te brengen. Ik probeer dat ook niet, het enige wat ik ga doen is schrijven, dat is voor mij genoeg, en hopen dat het iets voorstelt. Als dat niet zo blijkt te zijn, heb ik pech. Maar dan is de enige persoon aan wie ik rekenschap moet afleggen, mijzelf. En daar kan ik uiteindelijk wel mee leven.