Buurvrouw

De huid op zijn knokkels zag nog roze, alsof hij ze net te hard geschrobd had. Traag draaide hij de klink om en duwde de deur open. Een strook licht, bijna tastbaar, tuimelde door de hal en stofdeeltjes dansten. Hij liep naar binnen, zijn voetstappen gedempt door het tapijt. 
Niet naar de vlekken kijken.
Niet naar de vlekken kijken.
Over de ouderwetse kapstok was alleen een gebreide sjaal in okergeel gedrapeerd. Zijn jas hing hij er zorgvuldig naast. Was hij nu vergeten de deur dicht te doen? Zonder zich om te draaien, schopte hij hem met zijn hak in het slot. 
Een klap.
Daarna zijn eigen hartslag.
Ergens druppelde een kraan.
De volgende deur, die naar de woonkamer, stond al open. Dat was verkeerd. De verf bij de linkerbovenhoek bladderde, modderpoel tussen smeltende sneeuw. 
Na even denken, trok hij ook zijn schoenen uit. Hij klapte ze boven de mat tegen elkaar om denkbeeldig vuil te verwijderen en schoof ze onder de kapstok. 
Door een gat in zijn sok was een stukje teennagel zichtbaar.
Wat achter de deur lag, had geen verassing moeten zijn maar was dat toch. De meubels leken te wachten tot iemand – hij, bijvoorbeeld – lakens over ze heen kwam leggen. Het huis had zich in stilte voorbereid op een vertrek dat onvermijdelijk zou komen, als het nog niet plaatsgevonden had. 
De servieskast staarde hem aan met ogen van hout. Een gapende muil eronder, gebleekte keramieken tanden. Midden op de salontafel lag een hoopje glasscherven, ongetwijfeld bij elkaar geveegd door de buurvrouw. Vazen en mensen, dit hadden ze gemeen: het vermogen om vorm te verliezen.
Naast de ex-vaas lag een briefje. Zou ze hebben opgeschreven dat hij het nog wel lijmen kon, haar plakband mocht gebruiken?
Een lach borrelde op, koolzuur in een colafles. Hij sloeg allebei zijn handen voor zijn mond. 
Horen, zien en zwijgen. 
Waarom werden de acties uitgebeeld door een positie die ze onmogelijk maakte? Je weet pas wat je hebt als je het kwijt bent. Of iets in die trant.
Hij haalde handveger en blik uit de wandkast om het glas op te ruimen. Je bent van harte welkom vanavond bij het eten, meldde een handschrift dat krom boog onder het gewicht van de boodschap. Hij bleef staan, zich plots bewust van de pijn in zijn ribben.
Die kraan, welke kraan was het, die zo drupte? Hij schoof het briefje diep onder de scherven, waar hij niet verleid zou raken zijn hand ernaar uit te steken, en liet het blik op tafel staan. Als dit al de hele tijd aan de gang was, was er ondertussen wel genoeg water verspild.
Badkamer, keuken en toilet waren allemaal op de begane grond. Geen enkele deur in het huis was gesloten, alsof de buurvrouw, terwijl ze zijn planten water gaf, al haar opties open had willen houden, alle uitgangen gereed. Alsof het hielp om alle uitgangen gereed te houden.
Hij vond de kraan op het toilet en draaide hem dicht. Zijn ribben bonkten nu, dus liep hij terug naar de woonkamer en zakte neer op de bank. Het idee te moeten koken, stond hem tegen. Hij overwoog alsnog bij de buurvrouw aan te bellen. Zijn handen bewogen nerveus op zijn knieën, tot hij zich bewust werd van wat hij deed, stopte.
Unox-soep was prima.
Hij had zich lang genoeg laten verzorgen. 

Wat nu? Hij zat op de rand van de sofa. Het gedruppel was veranderd in het getik van een klok die hij nooit eerder storend had gevonden. 
Hij probeerde zijn vingers zo te timen dat elk van zijn eigen tikjes gelijk viel met een seconde, maar hij kreeg het ritme niet te pakken. 
De wijzers deden wat ze moesten doen: wijzen.
Bijna acht uur.
Hij likte langs zijn lippen.
Je moet iets ondernemen, vertelde hij zichzelf. Je moet opstaan en iets pakken dat je bezighoudt. Een puzzel. Een krant. Er is geen televisie meer om leeg amusement te bieden, maar de radio draait vast iets dat niet om gedachten vraagt.  
Ga iets doen. 
Hij bleef zitten, en tikte met zijn vingers, en keek naar de klok.

Ze moesten erop hebben gewacht: de geluiden. Zodra de grote wijzer van de klok op de acht schoof, ging de bel. Kou kwam op vanuit zijn buik, zijn hart vluchtte hoog zijn keel in. Soms verbaasde het hem hoe lichamelijk emoties waren.
Niet openen. Niet openen, verdomme, niet openen! 
Zijn handen steunden op de doorgezakte kussens, zijn benen werkten zichzelf omhoog en overeind, zijn voeten kozen een pad. Richting de voordeur.
Voor hij begreep dat hij zijn arm had opgeheven, pakte hij de klink al vast. Een alarm rinkelde in zijn hoofd.
Hij deed de deur open met een geschilderde glimlach op zijn houten gezicht.
Ze stonden er weer. Zodra hij ze zag, wist hij wat er zou gaan gebeuren. In zijn schedel stuiterde een woord dat hij niet vast kon pinnen, niet tot het al te laat was, tot ze binnen waren gekomen. Toen begreep hij: rennen.
Een van hen drukte hem ruw tegen de muur. 
'Wat heeft dit te beteken, wat – ' probeerde hij, maar ze waren niet gekomen om uitleg te geven. 
En misschien, wie weet, was dat wel het probleem. Dat men hem kon vertellen hoeveel botten er gebroken waren, welke dag van welk jaar de meeste slachtoffers had gemaakt en hoe vaak een gemiddelde buurvrouw je op hoorde te zoeken, maar niet, nooit, wat het te betekenen had.
Terwijl nummer één met de passen van een kolonel richting de woonkamer ging, zorgde de achterblijver voor afleiding. Ergens tussen verwarring en paniek was de deur dichtgegaan. Geen ontsnapping. Al een moment voor de uithaal begon, wist hij waar de klap ging vallen. Bloed drupte uit zijn gespleten lip op het tapijt. Was dat nou déjà-vu? vroeg een gedachte die niet helemaal bij hem hoorde maar ook niet helemaal los van hem stond. 
Hoe verder hij langs de muur omlaag zakte, hoe verder ook de woorden weg dreven. Wat overbleef was een te snelle ademhaling en armen die doelloos maaiden. De vuisten waren vervangen door laarzen. Hij wist welke rib ging breken en de eindeloze tel uitstel jaagde zijn hartslag met honderd per minuut omhoog. 
Hij probeerde terug te vechten. Schaafde zijn knokkels.
'Au!' riep de ander, wat niet klopte. Als een acteur die de verkeerde zin zegt, midden in het theater. Hij, de toeschouwer, greep zijn kans, drong zich de witregel binnen die volgde, duwde de man van zich af. 
Er schemerde een vrouw door zijn gezicht; voor een acteur was hij bijzonder slecht verkleed.
'Haal even diep adem,' zei de vrouw, en de man dook op en haalde naar hem uit, en de vrouw legde haar handen op zijn schouders en kneep zachtjes. 'Diep ademhalen. Hoor je me? In en uit. Één. Nu nog een keer. In. Uit. Twee.'
Hij probeerde te doen wat ze zei, alles om te zorgen dat ze niet zou vertrekken, dat haar schim de hal uit zou stappen en hem zou achterlaten met een solide man, solide vuisten. 
Ze werd duidelijker bij elke teug lucht.
'Hè hè,' zei ze, na minuten van traag oplopende cijfers. 'Ik wilde alleen even de sleutel terugbrengen. Hoe voel je je nu?'
Hij wist geen antwoord op die vraag. Een arm werd onder zijn oksels gewerkt; de buurvrouw tilde hem half op. 'Misschien is het beter als je vannacht niet hier slaapt. Je had gewoon bij mij moeten komen eten.'

Met deze tekst won Anne Giesen de tweede prijs bij Write Now! Venlo. Lees wat de jury van haar verhaal vond in het juryrapport.

Recente De oogst

Formentera
Willemijn Kranendonk
Soldaatjes
Sonja Buljevac
Vijf gedichten
Moya De Feyter
Wegkijkers
Mathijs Hoogenboom
O-negatief
Laurens Duyts
Gedichten
Hester van Beers
Pantheïst en zeemeermin
Giuseppe Minervini
Immer gerade aus
Fenna van der Goot

Word fanWord fan

Volg onsVolg ons

Powered by Passionate Bulkboek

Passionate Bulkboek ontwikkelt activiteiten voor jongeren met als doel hen te interesseren voor culturele uitingen in het algemeen en letteren in het bijzonder. Jongeren worden bereikt via educatieve projecten in het voortgezet onderwijs en vrijetijdsproducten die zich op dezelfde jongeren richten.

Lees Meer