Pantheïst en zeemeermin, en andere gedichten

1. Zingen zonder taal
Mijn credo zal niets begrijpen,
geen letter. Niet langer waar
de adem van de aardkorst stolt
waar de magma sist waar
een kille goocheltruc als poëzie begint 
a) er landt een verdwaalde arend op mijn arm en de lampen in mijn vingertoppen gloeien. Zodra de arend opstijgt voel ik energie ontglippen
als een pluim met lucht is dat, 
ik en energie
en ontnuchteren.
b) mijn evenbeeld, een etalagepop zonder geheugen
in het wazige vizier een vrouw met haar vingers vast
aan de goudklompjes in de grond. En ik herinner, 
etaleer en schrijf.
c) denken aan de dood en spreken; 
de dood voelen in de ingewanden
rollen en verteren; de droogte 
smaken in de mond van de ander.
De dood is een vinger die zich snijdt aan het haar van een wildvreemde vrouw.
d) een enjambement in een voetnoot van die honger;
eigenlijk een ongewenste intimiteit; een zandkorrel
op het netvlies van een nieuw kind dat zingt dat zingt
dat zingt zoveel op het netvlies van een kind.


2. Cyclus: Hemelhaar gekamd: paranoia in vogelvlucht (3 gedichten)

1. Vader de zeemeermin

Door zich voort te planten denkt mijn vader dat hij aan taxonomie doet, 
daar is eigenlijk niet veel aan, want ik ben zijn enig kind ik speel wel
samen met een voodoo-pop een quatre-mains, il bruciato tango 
d’odio omdat clichés zonder bloed niet kunnen dansen 
en een foetus verdwaalt zonder leiband

hij spande stembanden in de vloer zodat moeder 
zou horen waar ik kruip en sta en rol en hij 
legde me met een kaars uit wat een zon is
en zei; ’s nachts vangen we dan met een emmer vol
kwallen in aluminiumfolie het licht op 

om niet te verdwalen op 
een dag bruschette eten en zijn mond afvegen 
en zeggen dat verdriet niet gezocht moet 
wij zijn raarste zielen die horror zien in piano’s en verf en klavieren
in marmer en letters en in de zeemeermin die hij geworden is

2. Liefde is iets met smaken

Sinds de dood van mijn vader is de zon een zwetende cementmolen,
jij lachte nerveus maar je lachte wel om de ruimte die 
als vloeibaar gips de vorm van ons lichaam aannam 
toen ik zei dat ik je nog wil zien als je de deur kiest 

dat ik je nog wil zien als je rode buik bloeit 
en rommelt en stampt en huilt 
in een creoolse taal die wij niet spreken.

’s Middags in bed versmelten we tot een lek,
tot elk woord een net wordt wanneer je vraagt of
happig blaft door het zwarte dat in je onderbuik tolt 

toen Hallelujah

liefde is leverpuree en geplette postelein, zeg je,
neen, smaken verschillen

dat geloof ik niet,
antwoord je, 

meester 

speel zachte jazz en streel de rook die blauw 
dwaalt tussen lamp en kap en tabak.

Een mens waardeert
weinig van zijn eigen woorden. 
Zo is hij wijs, zeg ik. 

3. Morfine

Het slijm buigt zich over onze hersenen, zuurstof brandt 
de woede weg zoals ijs schaafwonden verdooft 
zoals tot rubber geknabbeld brood blijft 
plakken aan het gehemelte.

Wij stoten door kronkels van eigen geest
en eigen bodem, nooit iets anders gekend 
dan water om dorst te lessen dan lucht
om adem te slikken. 

Sterven zonder ooit het draaien van de aarde 
te voelen; westwaarts? Stilstaat?
Jezelf begrijpen is je eigen hart opereren of
dat van je vader. 

Een hartenklop is een dronken vreemde 
die door je huis dwaalt en tegen de muren botst
en weerkaatst en botst en weerkaatst en
botst en weerkaatst tot je hem buiten gooit. 


3. Cyclus: Ballast en belasting (2 gedichten)

1.Mare Nostrum

We walsen op zand tot de middag
weg zapt, de sterren staren ons
klein en je bekent dat mijn
hand hoger mag dan elke nacht.

We graven ons warm, was de aarde
plat zagen we de drijvende
straten van Venetië in de verte, en
de kapseizende boten daar nog voor. 

De sterren staren ons klein, maar
wij haten niet. Schamen ons wel.
Wij haten niet, maar schamen ons. 
En walsen op zand tot de zee weg zapt. 

Zonder dat water wandelen we iedereen
warm binnen Europa, beken je. Wie ben je,
vragen we elkaar. We dansen iedereen 
warm binnen Europa. Maar je schaamt je.
En ik.

2. Ik weet niet

Ik weet nog niet welk gedicht ik je schrijven zal,
maar neem alvast de fles uit de koelkast. 
Je handdoek ligt naast me, toen je het koud had,
’s winters, je rilde, ik lachte. Toen jij. 

De televisie bestraalde ons, ’s avonds, 
altijd, en al lagen we knus, mijn hoofd 
in je schoot, jouw hand op mijn hoofd,
we fluisterden meer dan dit.

En we wisten iets. Wisten
een sleutel vast te klemmen door een deur
wisten strohalmen stapelen in een handpalm, 
we wisten maar weinig

herinner ik me; je rij schoenen en welke kast
de jouwe was, en ik herinner me hoe je
brieven schreef naar morgen en naar mij,
veel is er wat ik me niet herinner
en ik weet niet. 


4. Cyclus: Haar suiker op winst (één gedicht en één slotgedicht)

1.De dichter dartelt de zeemeermin

We slurpen de zon uit de wolken met een fles whisky; 
je blinkt als een zaadlozing als pijn aan de milt als
zwemmende sterretjes in wit water. Misschien verlang ik 
piepende laboratoriumrat naar de baarmoeder
van een vruchtbaar en verdronken godin. 

Zingt zij nu nog verzamelingen van dorst en melkig pastel? Nu we hees 
ter afscheid zoenen als schildpadden op de rug; zuchten vanwege jeuk
en vinnen; omdat we ooit twee bijen waren en gestorven zijn?
Stolt ons bloed in enveloppen.

Dichtgeplakt bloed en wij slechts 
onder stoom leesbaar zoals ooit
rust en zingen we dood nu
rust en zing ik dood nu zonder
zeemeermin, onder verbleekte verzen,
onder grond rust en zing ik, dichter,
onder het juk van een uiteengespatte klok,
dichter, voor de monsterkracht van de duizend-
poot voor de messendans van duizend
man word ik neergeschreven  

woord. Nu rst n zng k, dchtr zndr
zmrmn ondr ht jk v/e utngspt klk
vr d. mnstrkrcht v/d dzndpt
vr d. mssndns v. dznd mn,

wrd k. d. drtlnde zot 
d.tub. ljm tssn mij wrd
k. ht zrstfmskr v/d aarde k.
wrd nrgschrvn wrd…


2. Pantheïst en zeemeermin (slotgedicht)

De pantheïst rustte op de kappersstoel en zong:

Ik zie niets: je knipt in het donker
je tong klikt in het donker
we praten in het donker, dat zwarte
en misschien slapend knip je mijn haar

kort in de spiegel, die hoek, daar, 
staren we ver weg naar elkaar
we rijmen in de verte door de rede
en licht onder water sterft in vrede 

en: ja

in je mond brandt geen lamp
je tong likt met het kleine 
kampvuur op zijn buik
het ijs op de wegen van de geest weg en ja

ik geloof in alles en de zeemeermin,
de dode beesten op de bodem, wij bewaren
de moorden onder de zeespiegel
zodat ze niet spreken als onze liefde en

zou licht gezongen zijn 
mij slapend veroveren, en jij nu, zeemeermin, ja
snij mijn haar tot ik matroos was en
jou zingend zag vasthangen aan het schip waar je

ja op het droge je lucht drinkt
en je bezeten losrukt ja
zwem je baantjes lang
tot de bodem en terug 

voor een laatste keer de zonneschim de nachtzon in je haren je stem zien in de spiegel ja

mensen zakken sissend in glazen water waar wij onze moorden bewaren onder de spiegels waar we zien. 

De pantheïst zag op de kappersstoel en sliep buiten adem. 

Met deze tekst won Giuseppe Minervini de eerste prijs bij Write Now! Leuven. Lees wat de jury van zijn gedichten vond in het juryrapport.

Recente De oogst

Formentera
Willemijn Kranendonk
Soldaatjes
Sonja Buljevac
Vijf gedichten
Moya De Feyter
Wegkijkers
Mathijs Hoogenboom
O-negatief
Laurens Duyts
Gedichten
Hester van Beers
Pantheïst en zeemeermin
Giuseppe Minervini
Immer gerade aus
Fenna van der Goot

Word fanWord fan

Volg onsVolg ons

Powered by Passionate Bulkboek

Passionate Bulkboek ontwikkelt activiteiten voor jongeren met als doel hen te interesseren voor culturele uitingen in het algemeen en letteren in het bijzonder. Jongeren worden bereikt via educatieve projecten in het voortgezet onderwijs en vrijetijdsproducten die zich op dezelfde jongeren richten.

Lees Meer