Zenuwpijn, en andere gedichten

Zenuwpijn

Ik zie de omtrekken van wat ik vandaag ben
weerspiegeld in de ruiten van de avondwinkel:
een slaaf van hersenen, mijn zenuwbanen
als touwtjes om mijn polsen

en enkels geknoopt. Een machteloze marionet
nog rauw aan de binnenkant, het vriespunt
prikt als een verse schaafwond 
in mijn ogen, in mijn mond
proef ik spierafbraak. Het is begonnen.

Sinds de winter lekken de kleppen
die de terugstroom stoppen.
Ik hoor de A2 achter mijn hartslag 
ruisen als ik in het donker lig.

De hemel is versleten gestaard,
verkreukeld snoeppapier
waarlangs we terug naar boven lekken.


Stroop

Je stem als appelstroop loopt 
nog altijd kleverig 
langs mijn hals, de tijd
grijpt met knokige vingers
om zich heen in de kamers
waarin we wakker blijven.

Soms is stilstaan meer
dan een kapotte bovenleiding.
Soms is het traagheid 
ten opzichte van de omgeving,
je hand niet uit het raam durven steken
uit angst dat hij wordt afgerukt.

Ik staar naar mijn speeksel 
in een reageerbuis, vraag me af
of een mens in grafieken bewaard blijft;
acteer krampachtig dat ik pas 
in het nummer op mijn paspoort, terwijl
we aan je keukentafel cola drinken
en zeggen dat we van elkaar houden
totdat we het geloven.

recycling

met röntgenogen heb je me helemaal 
doorgelicht en niets gevonden: ik bleek alleen
van buiten te bestaan.

we maken korrelige foto’s
blijven blind voor ons uit 
naar grassen of handen of poten
van iets groters. 

onze laatste dag bloedt 
aan twee wasknijpers leeg 
op het gazon. morgenochtend 

wordt het papier 
tot blokken geperst.

ergens tussen mijn vochtige longen 
groeit een lagedrukgebied
omkruld door ribben als isobaren.

onze vertakkingen verbergen
wat de jaarringen om onze polsen
verraden. 


lijn 71

in de bus die langs je huis rijdt hangen
lussen naar beneden, lijnen 
rond de klapdeuren geven aan
waar ik mag staan: de afscheiding 
tussen wat heilig is en wat niet

zoals een brievenbus twee monden heeft,
voor dichtbij en voor de rest.
de daken zijn hier glimmend
uit wafelijzers gekomen.
de wolken staan op poedersuiker. 

we rijden onder watervaste woorden door. 
bij elke halte lekt onze warmte verder weg.

dit is de enige plek waar ik zonder praten stop
kan zeggen. ik grijp een lus alsof er speelgoed 
te winnen valt.

een persoon

een rij gele rechthoeken hangt te drogen
naast de hemel.

reflecterende mannen verschijnen
poetsen een jongen van de voorste wagon 
zijn longen eerst.
dan zijn knieën.

druppels zo groot als muntdrop
proberen naar binnen te glijden. 
het kerkje in de verte is verdonkerd
tot een gloeiende wijzerplaat.

moeten we niet allemaal 
ergens zijn?

Zeeland

Je ligt er bruisend bij, liefje
je door scheldes gespleten akkers als gescheurde mondhoeken 
dorstig naar het zoute water. 

Vanochtend heb je een van de zachtste winters 
uit je kast gekozen, hem losjes om je schouders gelegd.
Vederlicht bedekt hij 
je vochtig zwarte velden.

Achter de dijken liggen je grijze ogen opgesloten 
soms gooi je ze woedend open.
Mijn vingers roer ik in je weerspiegelde wolken.

Men fluistert dat God hier verborgen ligt;
ik vermoed Hem tussen de meeuwen 
op de paalhoofden.

De wind die je in de bomen bewaart
laat je vrij boven het zand. Verrukt 
rent hij kringen om je voeten. Je glimlach
is tot in de vuurtorens te voelen.

spookrijden 

we drinken wazige lichtjes
op de snelweg tot we niets meer helder zien.

de klap voelt lekker als het leeg slaan van een ei
op de rand van een beslagkom.

je vouwt je lichaam
om me heen als de lijmrand van een envelop
die het papier kust en blijft kleven. 
we vullen ons met scènes 
van verontrustende aard. 

we zijn kinderen maar 
sommige kinderen zijn wanhopig genoeg 
om een schoolbord kapot te schieten.


uitbotten

de modder klinkt als klapzoenen
onder mijn regenlaarzen. koud water
loopt in mijn sokken, de dosis
maakt het vergif.

de aarde heeft onrustig geslapen.
haar nachtelijke zweten 
ligt op het gras. uitbotten is geboorte

die als sterven klinkt. er kraakt iets 
dat overal begraven ligt
maar nergens wordt gevonden. 

de zon staat op en zoekt een spiegel 
die als thuis voelt, zo kruipt ze
als natuurijs over de bijna dichte vijver. 

ik ga en ik verdrink haar 
achterna.

Met deze tekst won Hester van Beers de eerste prijs bij Write Now! Venlo. Lees wat de jury van haar gedichten vond in het juryrapport.

Recente De oogst

Formentera
Willemijn Kranendonk
Soldaatjes
Sonja Buljevac
Vijf gedichten
Moya De Feyter
Wegkijkers
Mathijs Hoogenboom
O-negatief
Laurens Duyts
Gedichten
Hester van Beers
Pantheïst en zeemeermin
Giuseppe Minervini
Immer gerade aus
Fenna van der Goot

Word fanWord fan

Volg onsVolg ons

Powered by Passionate Bulkboek

Passionate Bulkboek ontwikkelt activiteiten voor jongeren met als doel hen te interesseren voor culturele uitingen in het algemeen en letteren in het bijzonder. Jongeren worden bereikt via educatieve projecten in het voortgezet onderwijs en vrijetijdsproducten die zich op dezelfde jongeren richten.

Lees Meer