Gedichten

MOORSELE

I

Boven dit vlakke land hangen
parachutisten als getekende ogen in de lucht.

Het is hier dat ik mijn broers
vertelde dat in de kooien bij de fabriek
graswolven wonen: slanke wezens
die ’s nachts op hun buik
door het veld sluipen
en naar verlichte ramen staren.

Hoe makkelijk is het toch, moet de chauffeur
gedacht hebben, om een driedimensionaal wezen
als de merel tot twee te herleiden
met behulp van een simpel autowiel.
Misschien had ik hem mijn pen moeten tonen.

Het is hier dat mijn broers
ontdekten dat niet alles wat
verteld wordt de waarheid is.

In de zomer schrapen de kinderen
zich met springtouw en stoepkrijt
van het asfalt, terwijl de ouders
voor zich uit staren in de voortuin,
een barbecueprikker in de hand met daarop
een worst die op zijn beurt een prikker vasthoudt
met daarop een miniatuurmens,
die op zijn beurt –

Ook hier kleeft Jozef Deleu in de vorm
van een appeltaart aan het raam,
ook hier klappert het trage brommen
van een vliegtuig boven de rijhuizen,
ook hier boetseerde ik vrouwenlichamen
in de middagzon terwijl de maïsplanten
me overwoekerden. 

Vele neven heb ik hier gezien.
Sommige sloegen hun handen
op de groene lanspunten van het hek,
waardoor de aders als blauwe rupsen
op de rug kwamen te liggen,
andere renden naakt door de tuin, op de hielen
gezeten door hun moeders. En ik,

ik wachtte op de dag
dat ze zich hiervoor zouden schamen.

Gelukkig werd het herfst
en had mijn buurvrouw
een vijver vol kois en een schepnet
om de tijd te doden.
Uiteindelijk bleek dat die dag nooit zou komen.

Het is windstil op dit rechte pad tussen de akkers.
Met gesloten ogen wandel ik zover als ik durf.
Aan echolocatie heeft een blinde hier niets.

 

II

We klommen de speeltuin in
en keken naar het onweer.
Hoe er een delta van licht door de hemel schoot
en de regen de kleur uit het gras spoelde.

Bij elke donderslag schoven mijn broers
dichter tegen de splinters aan
en ik lachte als een gek in een tekenfilm.

’s Nachts verzon ik beelden om de dood
tastbaar te maken, zoals een zwart lint dat stolt in je keel.
Ze overmeesterden me een voor een, moeiteloos. 

Nu nog kan het me overvallen
op een zomernamiddag in de wagen,
gitaar op de achterbank,
hoewel ik eigenlijk beter weet.

Er zijn geen miljoenen jaren
van uitgestrekt niets na je laatste adem.

Er is alleen de schaduw van wat
zo graag in de zon was blijven staan.

 

BRUSSEL

Weet je nog hoe iemand je neerstak voor een mp3-speler?
Hoe de oude serveuse je ervoor waarschuwde
alsof de drager zelf het gevaar was.

Op dat moment werd de doorreisplaats een onheilsoord
hoewel het statistisch gezien onmogelijk was
dat het daar opnieuw gebeurde.

Nu breken dansers hun ledematen op de trappen
van het beursgebouw en is het niet langer duidelijk
wie performer is en wie publiek.

Maar op sommige nachten kan ik de gezichten
van de jongens zien die zich strijders noemen
in de reflectie van het Coca-Colabillboard
aan de rand van de Anspachlaan.

Dan snijdt de sterrenhemel met één soepele zwaai
de daken van de huizen en verschijnt,
gekleed in een blauwe regenjas, de man met de uilenogen.

Langzaam onderzoekt hij de bewoners.
Soms licht hij ze bij met een zaklamp,
als figuurtjes in een kijkdoos. 

 

LEUVEN

De mensen hier roeien nergens naartoe.
Integendeel, met elke ruk aan het handvat
boren ze zich dieper in het parket.

De spiegels zijn gebold, daarom keren de mannen
zo graag terug en trappen de vrouwen zwetend in het rond.

Tussen deze lichamen voel ik me als een bejaarde
die zijn dunne witte benen op het kussen legt
en ze strekt tegen de aftakeling.
Ik kan me nu al geen dokter meer herinneren
die me dit voorschreef.

Aan de bar koop ik mezelf wat snoepgoed,
maar ook dat blijkt stijf te staan van de anabolen.
Chocoladevlokken barsten uit hun verpakking
en zakken als kiezelstenen door mijn slokdarm.

Ik kijk naar een groepje zwarte mannen.
Ze nemen om beurten plaats op het toestel
en sleuren zich machinaal roodgloeiend,
terwijl hun goden op het scherm de berg afdalen.

Een wolk drijft voorbij, olie druipt
en likt gulzig aan achillespezen.

Wanneer de proteïnen
eindelijk mijn bloed opkloppen
en er een gouden tandwiel
in mijn pupillen draait,
grijp ik het handvat beet

en als een slaaf van mijn bankkaart
roei ik mezelf dieper het parket in. 

 

BAVIKHOVE

I

‘Esthetiek was nooit aan hem besteed’, zeggen ze
terwijl ze met een gouden pen mijn adres
op zijn doodsbrief schrijven.

Vier tanden heeft hij nog en een helder brein
dat alle verzen kent van het oorlogsgedicht
dat hij voordroeg als kind.

Boven op bed liggen zijn hemd en das klaar
in een plastic hoes. Hij heeft ze nooit gedragen,
alsof hij ze kocht op maat van de kist.

Om het kwartier zucht een apparaat hem wat adem in.
Dan rochelt hij en dansen zijn wenkbrauwen
op zijn schedel. Misschien jaagt hij in zijn dromen
op wilde beesten of drinkt hij bronwater uit een engelenmond.

Tijdens zijn laatste dagen
verschijnen er mensen rond zijn bed.
Sommige lijken iets te willen opbiechten,
andere sleuren tevergeefs een bucketlist uit zijn lijf.
‘Het enige wat ik wil, is dat je gras zaait
in de moestuin en de boom omhakt.’

De klanken molenwieken in mijn keel,
ik hoor mezelf zeggen dat ik goed
voor zijn kleindochter zal zorgen.

Hij glimlacht en wenkt.
‘Geen valse beloftes jongen,
want mijn zoons weten je wonen.’

 

II

Op de dag van zijn begrafenis zie ik
bij het stoplicht witte pluisjes zweven.
Ze dwarrelen in zwermen langs de snelweg.

Ik stuur de wagen door de hartkamers
van het dorp, parkeer en stap uit.

Tijdens zijn leven droeg hij zakken bloem
van 100 kg op zijn rug, gekleed in een kostuum
als een Italiaanse don. Eén keer verfde hij
met een klap alle muren van de bakkerij helderwit.

Volgens sommigen is het in zo’n ruimte
dat hij zich nu bevindt. Maar een god
als tv-showregisseur – cut naar camera drie!
Spots aan het eind van de tunnel! –
daar heb ik nooit veel voor gevoeld.

Op weg naar de kerk hoor ik de wind
roddelend tussen de graven ruisen.
Sorry, een zwarter hemd dan dit vond ik niet.

Wanneer zijn zoons hem naar binnen dragen
denk ik alleen maar: doe die kist open, hij krijgt geen lucht.
Maar ik zeg geen woord, luister naar Jacques Brel
en knijp in haar hand. 

Soms zie ik opnieuw zijn glas bier voor tv,
op zijn broer, op het leven,
en het schuim dat daarbij over de rand viel.

Net voor het de grond raakt,
blijft het hangen

als een pluisje aan de rand
van een snelweg.

 

DUBLIN

Ik herinner me de wind en de ijswitte mist
terwijl we salami in onze broodhompen stopten.

Ik herinner me de nacht in de hut, het bonken
van dampende paardenhoofden tegen de wanden
en ’s ochtends de verbazing: hoe waren ze over dat hek geraakt?

Ik herinner me de steken in mijn borstkas
terwijl ik de tent droeg, bergkam op, bergkam af.

Ik herinner me het telefoongesprek
op de camping, hoe de avondzon achter
de misplaatste palmbomen verdween
en een gloed verspreidde als in een reisadvertentie.
Ik herinner me dat ik je vertelde
dat ik totaal geradbraakt aan een Calippo
had gelikt en hoe dat aanvoelde
als het beste wat ik ooit had gedaan. 

In de blaren van mijn vrienden
begon een brein te kloppen dat hen
naar nieuwe steden joeg met sproetige
meisjesdijen in Ierse rokken, archeologische vondsten
in gratis musea, hostels vol gedrogeerde
doctorandi met spraakgestuurde laptops
en glazen halfvolle melk. 

Ik herinner me dat de grootste droomde
van een wolk vrouwenvlees om tegenaan te botsen
tussen eeuwenoude sparren en pilaren van licht.

Ik herinner me de vleermuis ’s nachts
in de keuken, terwijl we dronken fishsticks bakten
en liters Guinness zweetten.

Ik herinner me de verjaardag van de kleinste,
hoe onze meest ervaren roker
zei wat voor goed spul het was,
Ode to Viceroy oplegde
en met zijn hoofd tegen de vensterbank viel.

De doctorandi veerden verrassend monter van hun stoel
en haalden appelsiensap uit de koelkast.
Na de derde slok kwam hij bij. 

Die nacht zag ik in het stapelbed duizend kleuren,
zingend op de binnenkant van mijn oogleden.

Ik herinner me ruïnes van een vergeten klooster
en de scholen zeemeerminnen op de rotsen,
terwijl ik foto’s nam van mijn vrienden
die boven de waterspiegel uitstaken,
hun armen naar de lucht gericht als een nieuw soort Atlas.

Zij konden oprecht genieten van het uitzicht
terwijl ik met ingehouden adem
naar de geweien van de herten keek.

Ik herinner me die ochtend dat ik me afzonderde
als een woudwezen en lang voor iedereen
wakker werd het bladgroen opzocht

bang om een vader
en zijn kinderen aan te treffen,
opgehangen aan een tak.

Maar ik vond een witte adder
tussen de stenen en droop af. 

Bovenal weet ik nog wat ik dacht toen ik je terugzag
en je bijna niet herkende, toen je geverfde lippen 
proefden als die van een andere vrouw:

Dit is hoe het moet voelen om als frontsoldaat terug te keren,
om als Braziliaanse tiener van een brug in de rivier te springen
onder het gejuich van de sloppenwijk, om als jonge Ethiopiër
de rite de passage te overleven door je rivaal tot bloedens toe te slaan.
Dit is hoe het voelt om voor man door te gaan.

 

HEVERLEE

Je opent het dakraam.
Het is donker buiten, het ziekenhuis ligt
als een lichtgevende bijenkorf op de heuvel.

Je zou net zo goed op de rand
van een Afrikaanse rots kunnen liggen,
hoe je nu met je hoofd in je handen de nacht in kijkt.

Je keert je om, waardoor we
naast elkaar komen te liggen
als een nieuw paar schoenen in hun doos.

‘Heb je dat gelezen over die tweekoppige schildpad?’
‘Nee’, zeg ik.

‘Er is een man in Wielsbeke
die een tweekoppige schildpad heeft.
En ik vroeg mij af: hoe kun je zeker zijn
dat je een tweekoppige schildpad koopt
en niet twee padden in één schild?’

Ik sluit mijn ogen. 
‘Niet’, zeg ik. ‘Aan de hoofden
kun je het niet vragen, die lullen maar uit hun nek.
Je kunt alleen het schild opensnijden.’

‘Maar dan sterft hij.’
‘Klopt. Maar dan weet je het wel.’

We gaan liggen op onze rug
en schuiven het gordijn omhoog.
Een vliegtuig knipoogt afwisselend rood en blauw.
Het voelt alsof ik elk moment
het heelal kan intuimelen.

Te warm is het, te warm om te slapen.

Dit is de finale-inzending van Mattijs Deraedt. Eerder won hij met zijn vijftal gedichten de tweede prijs bij de voorronde van Write Now! Leuven. Hij is één van de vijf wildcardwinnaars.​ Bekijk hier de andere finalisten en lees hun inzendingen.  

Mattijs Deraedt (1993) studeerde Audiovisuele Kunsten met afstudeerrichting Schrijven aan het RITCS. Hij publiceerde poëzie en kortverhalen in tijdschriften als Deus Ex MachinaGierik & NVTMeander en Op Ruwe Planken. Momenteel werkt hij vier dagen per week als copywriter en videojournalist. De rest van de tijd is hij redacteur bij Kluger Hans, frontman van Gentle Vex en lid van het Lettertype Collectief van Kortrijk.

Recente De oogst

Formentera
Willemijn Kranendonk
Soldaatjes
Sonja Buljevac
Vijf gedichten
Moya De Feyter
Wegkijkers
Mathijs Hoogenboom
O-negatief
Laurens Duyts
Gedichten
Hester van Beers
Pantheïst en zeemeermin
Giuseppe Minervini
Immer gerade aus
Fenna van der Goot

Word fanWord fan

Volg onsVolg ons

Powered by Passionate Bulkboek

Passionate Bulkboek ontwikkelt activiteiten voor jongeren met als doel hen te interesseren voor culturele uitingen in het algemeen en letteren in het bijzonder. Jongeren worden bereikt via educatieve projecten in het voortgezet onderwijs en vrijetijdsproducten die zich op dezelfde jongeren richten.

Lees Meer