Regendagen

Moos is niet goed in boten. Hij heeft de hele weg over de reling geleund. Nu loopt hij met benen van smeltend ijs over een plank naar de kade. Ik wil zijn vingers pakken, maar de plank is te smal om te delen.
   Papa neemt de koffers mee. Hij heeft er één in elke hand, mijn rugzak om zijn schouder.
   ‘Ik kan ook iets dragen,’ zeg ik.
   De wind slaat mijn woorden stuk op het dek.

We bereiken het huis met nagels die wit zien van de kou. De stenen muren zijn grauw en grillig, alsof iemand brokken zeeschuim op elkaar heeft gekleefd. Hier woont Pjotr Orlemans, meldt een bordje naast de voordeur. Het liegt. We zullen de naam achter zwarte stift verstoppen.
Papa heeft de sleutel. Hij zet de koffers neer en haalt hem uit zijn zak. Het slot knarst als een kwaad dier; opeens vraag ik me af of we wel binnen mogen komen. Ik steek mijn hand uit. Er is geen krachtveld dat me brandt.
   We stappen één voor één over de drempel. De schaakbordhal is een opeenstapeling van jassen, netten, oude kranten. De schemering maakt de kapstok tot een man met dunne armen. Ik wil uit zijn schaduw stappen, maar niemand beweegt. Elke kier vult zich met onze adem.
   Papa slikt. ‘Waar moeten we beginnen?’
   ‘Morgen is er weer een dag,’ zegt Moos.
 
Opa had vingers vol littekens. Dat herinner ik me het best. Hij nam me mee naar het strand en wees me alle plekken waar ooit bruinvissen waren aangespoeld. Ik drukte mijn tenen in het zand, zocht de afdrukken die hun lichamen moesten hebben gemaakt, slapers in verfrommelde lakens.
   ‘Heb je ze terug in het water geduwd?’ vroeg ik.
   ‘Ze waren dood,’ zei opa.
   Dood. Het woord lag voor me in knalrode, opblaasbare letters. Ik voelde een vaag ontzag, verder niets.
   ‘Wat heb je dan met ze gedaan?’
   ‘Ik heb ze laten liggen voor de meeuwen. Die eten eerst de ogen. Daarna de rest.’
   Ik sloeg een arm om mezelf heen. Opa's hand zwaaide vlakbij. Zijn knokkels streken bijna langs de mijne. Ik rilde, zoals wanneer ik mijn neus door de schutting van de buren stak en de adem van hun waakhond voelde.

De nacht duurt lang. Er is niet genoeg zuurstof in dit huis. Ik draai me om. Wacht. Draai me nogmaals om. De logeerkamer is het soort vreemde die zegt: ‘Wat ben jij enorm gegroeid.’ Ik durf alleen naar adem te happen wanneer het kraken van het bed me overstemt.
   ‘Mag ik naar het strand?’ vraag ik, zodra ik die ochtend beneden kom.
   Papa buigt zich over zijn ontbijt alsof er iets op zijn bord ligt dat hij moet verbergen. Ik wil de breedte van zijn rug meten, viermaal de ruimte tussen mijn duim en wijsvinger, zoals ik vroeger zo vaak heb gedaan. Ik doe niets. Er groeit een grijze haar op zijn blote schouder.
   ‘Waar is Moos?’ vraag ik.
   ‘Op zolder.’
   ‘Zo vroeg?’
   Elk antwoord komt van tussen smalle lippen. Er zal hem geen teveel aan taal ontsnappen. ‘Hij sliep niet goed.’
   ‘Mag ik gaan?’ Papa houdt zich vast aan zijn bord, een roer in een storm.
   ‘Dankjewel,’ zeg ik. Ik ben al op weg naar de deur.

‘s Avonds bouwden we een fort van citronellakaarsen waarin geen mug zich durfde vertonen. Ik maakte figuren met mijn handen en liet konijnen en vlinders over de muur dansen.
   ‘Ik heb Ben laten zien waar de bruinvissen aanspoelen,’ zei opa.
   Ik knikte. Mijn figuren verschoven en flakkerden, alsof ze elke vorm wilden passen voor ze er één kozen die lekker zat.
   ‘Waarom?’ vroeg Moos.
   ‘Mijn vader liet het mij zien.’
   Het konijn werd een stier. Hij richtte zijn hoorns op een verdwaalde mot.
   ‘Is het dan niet juíst aan ons?’ Zo klonk Moos ook wanneer hij wist dat ik een bord had laten vallen, maar wilde dat ik er eerlijk over was.
   ‘Het was gaaf,’ loog ik, maar Moos denderde voorbij als een bus die je opgestoken hand niet heeft gezien. ‘Je had in elk geval kunnen overleggen.’ Hij keek naar papa. ‘Zeg jij ook eens iets!’
   ‘Er lag niets,’ zei papa. ‘Toch?’
   ‘Wat willen jullie dan?’ Meestal fronste opa. Nu verkreukelde hij. Zijn wenkbrauwen raakten elkaar bijna boven zijn neus en zijn lippen werden een dunne, roze lijn van oorlogsverf. ‘Dat ik de eerste dooie ben die hij ziet?’
   ‘We gaan,’ zei Moos.
   ‘Lieverd...’ zei papa.
   De stier brak zijn hoorns op de stenen. Ik stond op en rende naar binnen.

‘Ben! Ben!’
   Het is zo stil op het strand dat ik schrik. Ik draai me om. Bij gebrek aan badgasten hebben de wolken zich uitgestrekt over het zand. Ze kleven aan mijn huid als natte lappen, onttrekken de horizon aan het zicht.
   ‘Moos?’ vraag ik.
   De wind rukt mijn stem van mijn lippen. Hij stuift ermee weg zoals een hond met een tak doet. In de verte neemt een vlek langzaam vaste vorm aan. Moos bereikt me tegelijk met de eerste regendruppels. Wier plakt aan zijn laarzen.
   ‘Je moet niet alleen rondzwerven.’ Hij roept om boven het geruis uit te komen.
   ‘Papa vond het goed.’
   Hij schudt zijn hoofd. Druppels drukken putjes in het zand. ‘De volgende keer vraag je het aan mij. Papa heeft veel om over na te denken.’
   ‘En jij niet?’
   Hij woelt door mijn haar. Zijn glimlach heeft te weinig kracht om zijn mondhoeken helemaal op te tillen. ‘Kom, dan gaan we naar huis.’

Wanneer we thuiskomen zit papa midden in de woonkamer op de grond. Het Perzisch tapijt ligt vastgepind onder zijn knieën; het zal niet vliegen. De zware, houten meubels kijken op hem neer terwijl hij doos na doos omkeert en de inhoud met haastige vegen over de vloer verspreidt.
   ‘Ik ga chocomel maken,’ zegt Moos.
   Ik kniel naast papa. We zijn verkopers op een koningsmarkt. Voor ons liggen dobbers, krantenknipsels, gebroken horloges, batterijen, knopen, foto's, zakmessen en bieropeners. Papa maakt twee stapels: dingen-om-te-verkopen, dingen-die-ik-toch-liever-houd. Het tapijt is ruwer dan ik gedacht had. Hier en daar hebben sigaretten gaten in de stof gebrand.
   Ik pak één van de foto's op. Een jongeman in een vissersjas lacht me beleefd toe vanaf een steiger.
   ‘Ben jij dat?’ vraag ik.
   Het duurt even voor papa opkijkt, alsof hij omhoog moet zwemmen in diep water. Hij neemt de foto van me over. Zijn vingertop volgt de omtrekken van de jongeman. ‘Dat ben ik niet,’ zegt hij. ‘Ik denk dat ik er toen helemáál nog niet was.’
   Ik doe mijn ogen dicht en probeer papa uit de wereld te gummen, maar zijn omtrek is met te veel kracht getrokken. Hij blijft koppig staan, een vader van magere potloodlijnen.
   ‘Is het opa?’ vraag ik, zonder mijn ogen open te doen.
Ik hoef niets te zien om te weten dat papa knikt. Ik vang de beelden van opa en de jongeman in één plaatje, roer hun gezichten door elkaar tot rimpels en glimlach versmelten. Dan wis ik ook hem uit. Alleen de jas blijft achter, opgebold alsof hij nog op een lichaam steunt.

Ik zat op de bank toen opa binnen kwam. Zijn schaduw ving me in een strak omlijnd vak. Ik schoot direct rechtop.
   ‘Klaar om te gaan?’ vroeg hij. Hij keek naar een punt net boven mijn schouder.
   Ik vouwde mijn voeten onder mijn benen, zodat de zwarte muil van de kachel er niet bij kon. Uit de hal klonk het gemompel van papa en Moos.
   ‘Ik denk het,’ zei ik.
   ‘Heb je een jas? Het kan koud zijn op zee. Jullie zijn dat soort dingen niet gewend.’
   Ik wilde zeggen dat we de boottocht al vaak hadden gemaakt, maar er was geen ruimte voor woorden. Opa vulde de kamer. Vanuit mijn ooghoeken hield ik de kachel in de gaten.
   ‘Je kunt wel iets van mij lenen, als het nodig – ʼ
   ‘Ben!’ riep Moos vanuit de hal. ‘Tijd voor vertrek!’
   Ik sprong op. Opa liet langzaam zijn armen zakken. Als een robot zonder batterij, stond hij naast de kachel stil. Ze keken me samen na.

Opeens schiet het op. Het huis is elke dag minder van opa.
   ‘Ben? Kom eens kijken.’ Papa is een stem zonder lichaam. Ik volg hem naar opa's slaapkamer.     Hier ben ik nooit eerder geweest. Het bed wacht, perfect opgemaakt, op iemand die nu ergens anders slaapt.
   Papa wendt zich van de kast naar mij. Hij heeft een pakje in zijn handen, bruin papier en touw.      ‘Hier staat jouw naam op.’
  ‘Wat is het?’ vraag ik.
   Hij legt het pak in mijn handen. Het is zwaar, maar zacht. Ik scheur het papier met twee rukken weg. Geel komt tevoorschijn, een begraven schat. Ik vouw mijn buit uit en houd hem omhoog. Het is een vissersjas.
   ‘Pas eens.’
   Papa helpt me. De mouwen zijn tunnels zonder eind en de zoom valt voorbij mijn knieën.
   ‘Een beetje groot.’ Papa haalt een hand langs zijn ogen.
   ‘Hij zit heerlijk,’ zeg ik.

We zoeken onze weg over het strand. Ditmaal dragen we allemaal een tas.
   ‘We moeten nog een keer gaan,’ zegt papa.
   ‘Met een aanhangwagen voor de kasten,’ zegt Moos.
   Mijn jas flapt tegen mijn benen. De branding is een schuw dier dat wegholt voor mijn passen.
Ergens krijst een meeuw. Ik krijs terug. Het geluid krabt in mijn keel.
   Moos en papa lopen arm in arm. Ik ga vooruit, mijn ogen gericht op het zand. Af en toe raap ik een schelp op en laat hem in mijn zak glijden. Ik vraag me af of opa ook schelpen in deze zakken heeft gespaard.
   Een grote kei, glad en glimmend van water, wacht een eindje verderop. Ik wil eroverheen klimmen, maar verstijf zodra ik dichtbij genoeg ben. De kei heeft een staart die moeizaam op en neer gaat, en een oog dat me aanstaart als een sigarettengat.
   Ik staar terug. Ik weet niet hoe lang. ‘Moos,’ zeg ik ten slotte. Een vlaag wind spoelt me weg. De zee richt zich op, grijpt mis en laat zich teleurgesteld weer zakken. ‘Moos,’ herhaal ik, harder.
   ‘Papa!’
   Ze zijn er in drie stappen. Even staan we allemaal stil en kijken naar de bruinvis.
   ‘Natte doeken,’ zegt Moos. ‘Ik zoek op wie we kunnen bellen.’
   Papa trekt zijn trui uit. Hij doopt hem in zee en legt hem over de bruinvis. Moos heeft iemand      aan de lijn. Ik ga op de grond zitten. Heel voorzichtig raak ik de huid van het dier aan. Hij is koud.
   Moos legt op. ‘Er is iemand onderweg.’
   We wachten. De branding probeert wraak te nemen op mijn laarzen.
   ‘Boe,’ zeg ik.
   Hij trekt zich terug.
   De redders komen en gaan in een werveling. Ze brengen een brancard mee en stemmen. Ik mag helpen de bruinvis op te tillen. Hij is te zwaar voor hen of mij alleen. Dan smelten ze alweer in de mist.
   Papa, Moos en ik blijven staan, als gedroogde bloemen, veilig tussen grijze lucht en grijze zee gevouwen. De bruinvis zwaaien we uit. Ik zweet onder mijn jas. Het is de enige plek waar het niet waait.

**

Dit is de finale-inzending van Anne Giesen. Eerder won ze met haar verhaal 'De rest zijn wij' de eerste prijs bij de voorronde van Write Now! Venlo. Bekijk hier de andere finalisten en lees hun inzendingen.

Anne Giesen (1998) werd negentien jaar geleden geboren in Swalmen, een klein dorpje in Limburg. Ze is tweedejaars student Algemene Cultuurwetenschappen aan de Radboud Universiteit. Eerder stond ze al in de finale van Doe Maar Dicht Maar en Write Now!. Anne is de trotse bezitter van een piepklein handschrift en zeventien goed gevulde notitieboekjes.

Recente De oogst

Amerika
Luuk van den Einden
Het veranderen
Aragorn Fuhrmann
Marmer
Marjolijn van de Gender
Regendagen
Anne Giesen
Gedichten
Emma van Hooff
Nu wachten we
Mathijs Hoogenboom
Dat is lang geleden
Pieter Olde Rikkert

Word fanWord fan

Volg onsVolg ons

Powered by Passionate Bulkboek

Passionate Bulkboek ontwikkelt activiteiten voor jongeren met als doel hen te interesseren voor culturele uitingen in het algemeen en letteren in het bijzonder. Jongeren worden bereikt via educatieve projecten in het voortgezet onderwijs en vrijetijdsproducten die zich op dezelfde jongeren richten.

Lees Meer